ECLI:NL:HR:2009:BK0088

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/00744
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 164 lid 2 Rv
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewijskracht van getuigenverklaring tegen onderhandse schuldbekentenis niet beperkt door art. 164 lid 2 Rv

In deze zaak vordert eiser betaling van een geldbedrag van verweerder, gebaseerd op een onderhandse schuldbekentenis. Na afwijzing van de vordering door de rechtbank en bekrachtiging van dit vonnis door het hof, stelt eiser beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof.

De kern van het geschil betreft de bewijskracht van de getuigenverklaring van een partij die is toegelaten als tegenbewijs tegen een onderhandse schuldbekentenis, waarbij eiser aanvoert dat art. 164 lid 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van toepassing is.

De Hoge Raad stelt echter dat deze bepaling niet van toepassing is op de getuigenverklaring van een partij die als tegenbewijs is toegelaten tegen een onderhandse schuldbekentenis. De klachten van eiser leiden niet tot cassatie en behoeven geen nadere motivering. Het beroep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de kosten.

Uitspraak

18 december 2009
Eerste Kamer
08/00744
EE/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats], Verenigde Staten van Amerika,
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens,
t e g e n
[Verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerder].
1. Het geding in feitelijke instanties
[Eeiser] heeft bij exploot van 28 december 2001 [verweerder] gedagvaard voor de rechtbank te Middelburg en gevorderd, kort gezegd, [verweerder] te veroordelen om aan [eiser] te betalen een bedrag van ƒ 36.413,-- (€ 16.523,50), met rente en kosten.
[Verweerder] heeft de vordering bestreden.
Na een tussenvonnis van 6 november 2002 en getuigenverhoren, heeft de rechtbank bij eindvonnis van 16 juni 2004 de vordering van [eiser] afgewezen.
Tegen het eindvonnis van de rechtbank heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij arrest van 22 november 2007 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerder] is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 18 december 2009.