ECLI:NL:HR:2009:BJ8622
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Beoordeling CIE-informatie als grondslag voor doorzoeking woning op grond van art. 49 WWM
In deze zaak stond de rechtmatigheid van een doorzoeking van de woning en schuren van verdachte centraal, die was gebaseerd op anonieme informatie van een of meer CIE-informanten. Deze informatie gaf aan dat verdachte vuurwapens en harddrugs in zijn woning en schuren verborgen hield. Het hof had geoordeeld dat deze informatie betrouwbaar was en voldoende grond bood voor de doorzoeking op grond van artikel 49 van Pro de Wet wapens en munitie (WWM).
Verdachte voerde aan dat de doorzoeking onrechtmatig was en dat de CIE-informatie onvoldoende was om de doorzoeking te rechtvaardigen. Het hof verwierp dit verweer, stellende dat de informatie relatief kort voor de doorzoeking was ontvangen en dat het gevaar van wapens een doorzoeking zonder rechterlijke machtiging rechtvaardigde. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en benadrukte dat de beoordeling van de toereikendheid van dergelijke informatie in belangrijke mate aan de feitenrechter is voorbehouden en slechts beperkt in cassatie kan worden getoetst.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, wat leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Het beroep van verdachte werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De straf werd verminderd tot elf maanden en twee weken gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.