ECLI:NL:HR:2009:BJ8158
Hoge Raad
- Herziening
- F.H. Koster
- J.W. Ilsink
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek wegens onvoldoende bewijs psychische overmacht bij medeplegen moord
De zaak betreft een verzoek tot herziening van een arrest waarin de aanvraagster is veroordeeld voor medeplegen van moord tot twaalf jaar gevangenisstraf. De aanvraagster beriep zich op nieuwe feiten en omstandigheden, waaronder dat zij jarenlang slachtoffer was van vrouwenhandel en bedreigingen door haar toenmalige partner, en dat zij destijds onder zware psychische drang stond die haar wilsvrijheid ernstig beperkte.
De Hoge Raad overwoog dat het oordeel van het hof in het kader van een gratieadvies over de persoonlijke omstandigheden van de aanvraagster niet kan worden aangemerkt als een nieuwe omstandigheid in de zin van artikel 457 lid 1 sub Pro 2 Sv. Daarnaast concludeerde de Hoge Raad dat de aangevoerde omstandigheden, noch afzonderlijk noch in samenhang, geen ernstig vermoeden wekken dat het hof, indien hiermee bekend, de aanvraagster op grond van psychische overmacht zou hebben ontslagen van alle rechtsvervolging.
De Hoge Raad stelde vast dat de aanvrage geen nieuwe feiten bevat die het onderzoek ter terechtzitting zouden kunnen beïnvloeden in de zin van vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging of niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Daarom wees de Hoge Raad het verzoek tot herziening af en bevestigde de eerdere veroordeling.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het verzoek tot herziening af en bevestigt de veroordeling tot twaalf jaar gevangenisstraf.