ECLI:NL:HR:2009:BJ7330

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 november 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/02102
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing bijdrage levensonderhoud minderjarige na echtscheiding

De man verzocht bij de rechtbank 's-Gravenhage om echtscheiding en nevenvoorzieningen, waaronder een bijdrage in de verzorging en opvoeding van het minderjarige kind. De rechtbank bepaalde dat de man €500 per maand zou betalen. De man ging hiertegen in hoger beroep en het hof vernietigde deze beschikking en wees het verzoek van de vrouw om bijdrage af. De vrouw stelde beroep in cassatie in tegen deze afwijzing.

De Hoge Raad beoordeelde het cassatieberoep en oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden. Er was geen aanleiding tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Hoge Raad bevestigde daarmee het oordeel van het hof en verwierp het beroep van de vrouw.

De uitspraak betreft de draagkracht en bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind na echtscheiding, waarbij de Hoge Raad het oordeel van het hof bekrachtigde dat geen bijdrage van de man verschuldigd was. De beschikking is gegeven door een meervoudige kamer en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2009.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de man geen bijdrage hoeft te betalen voor de verzorging en opvoeding van het minderjarige kind.

Uitspraak

6 november 2009
Eerste Kamer
09/02102
EE/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. R.G. Groen,
t e g e n
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. M.C. Carli-Lodder.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 17 augustus 2007 ter griffie van de rechtbank 's-Gravenhage ingediend verzoekschrift heeft de man zich gewend tot die rechtbank en verzocht, kort gezegd, echtscheiding tussen partijen uit te spreken met een nevenvoorziening en tot verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap.
De vrouw heeft het verzoek met betrekking tot de nevenvoorzieningen bestreden en onder meer verzocht bij wege van een zelfstandig verzoek om een bijdrage van de man in de kosten in de verzorging en opvoeding van het thans nog minderjarige kind van partijen, [kind 1].
De rechtbank heeft bij beschikking van 11 april 2008 tussen partijen echtscheiding uitgesproken en bepaald dat de man een bijdrage van € 500,-- per maand zal betalen aan de vrouw voor de verzorging en opvoeding van [kind 1].
Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. De man heeft in hoger beroep verzocht de beschikking te vernietigen voorzover de rechtbank heeft bepaald dat de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding voor [kind 1] aan de vrouw dient te betalen van € 500,-- per maand, en opnieuw rechtdoende in goede justitie een bijdrage te bepalen welke in overeenstemming is met de wettelijke normen en maatstaven.
Bij beschikking van 25 februari 2009 heeft het hof de beschikking van de rechtbank vernietigd voorzover het de vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende, het zelfstandig verzoek van de vrouw om bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding alsnog afgewezen.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 6 november 2009.