ECLI:NL:HR:2009:BJ1758
Hoge Raad
- Herziening
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid aanvraag tot herziening wegens andere waardering bewijsmateriaal
De zaak betreft een verzoek tot herziening van een vonnis waarbij de aanvraagster was veroordeeld voor schuldheling van voordeel verkregen uit bijstandsfraude. De verdachte van de bijstandsfraude werd in hoger beroep vrijgesproken, hetgeen door de aanvraagster werd aangevoerd als nieuwe feitelijke omstandigheid die herziening zou rechtvaardigen.
Het Gerechtshof te Leeuwarden oordeelde dat de verdachte niet wettig en overtuigend schuldig was aan valsheid in geschrift en het verzwegen van gegevens aan de Dienst Sociale Zaken, omdat sprake was van een kostgangersovereenkomst en geen gezamenlijke huishouding. Deze vrijspraak vormde de aanleiding voor de aanvraag tot herziening.
De Hoge Raad overwoog dat herziening slechts mogelijk is op grond van nieuwe feitelijke omstandigheden die bij het onderzoek niet aan het licht zijn gekomen en die het ernstig vermoeden wekken dat het onderzoek anders zou zijn verlopen. Een andere waardering van het bewijsmateriaal door een rechter in hoger beroep valt hier niet onder.
Daarom verklaarde de Hoge Raad de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk, omdat de vrijspraak van de verdachte geen nieuwe feitelijke omstandigheid oplevert die herziening rechtvaardigt.
Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken op 7 juli 2009.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een nieuwe feitelijke omstandigheid.