ECLI:NL:HR:2009:BI7089
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.W. Ilsink
- J. de Hullu
- C.H.W.M. Sterk
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Beoordeling schatting wederrechtelijk verkregen voordeel bij diefstal en profijtontneming
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Betrokkene werd verdacht van betrokkenheid bij de diefstal van een geldkistje met daarin € 3.000,- en een bankpas met pincode uit een woning, waarna met die bankpas voor € 2.940,- werd gepind.
Het hof schatte het wederrechtelijk verkregen voordeel op € 5.940,- en ging ervan uit dat de diefstal door twee personen was gepleegd, waarbij betrokkene de buit deelde en zijn voordeel op € 2.970,- werd gesteld. Het hof baseerde zich op onder meer het vonnis van de rechtbank Zutphen, verklaringen van het slachtoffer en een ontnemingsrapport van de politie.
Betrokkene stelde in cassatie dat het hof ten onrechte had aangenomen dat hij ook betrokken was bij de diefstal van het geldkistje en dat de schatting van het voordeel onjuist was. De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof niet onjuist of onbegrijpelijk had geoordeeld, mede omdat het geldbedrag en de bankpas in hetzelfde geldkistje zaten en de bankpas kort na de diefstal werd gebruikt voor het pinnen van geld waarvoor betrokkene was veroordeeld.
Het cassatieberoep werd verworpen en de betalingsverplichting tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel werd gehandhaafd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op € 2.970,- ten laste van betrokkene.