ECLI:NL:HR:2009:BI4730

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/12328 E
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • J.W. Ilsink
  • W.M.E. Thomassen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep wegens overschrijding redelijke termijn zonder rechtsgevolg

Op 1 september 2009 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in het cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 22 juni 2007. De verdachte was veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden. Het cassatieberoep werd ingesteld door de verdachte en behandeld door de Strafkamer van de Hoge Raad.

De middelen van cassatie konden niet leiden tot vernietiging van het arrest, zodat het beroep werd verworpen. De Hoge Raad oordeelde dat gezien artikel 81 van Pro het Wetboek van Strafvordering geen nadere motivering nodig was omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Daarnaast stelde de Hoge Raad ambtshalve vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Gelet op de aard van de opgelegde straf en de mate van overschrijding werd echter geen rechtsgevolg aan deze overschrijding verbonden.

De uitspraak werd gewezen door vice-president F.H. Koster als voorzitter en raadsheren J.W. Ilsink en W.M.E. Thomassen, en uitgesproken in aanwezigheid van de waarnemend griffier J.D.M. Hart.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen ondanks overschrijding van de redelijke termijn zonder rechtsgevolg.

Uitspraak

1 september 2009
Strafkamer
Nr. 07/12328
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, Economische Kamer, van 22 juni 2007, nummer 23/000376-05, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1932, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. S.V. Jansen, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De waarnemend Advocaat-Generaal Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van zes maanden voorwaardelijk en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 1 september 2009.