ECLI:NL:HR:2009:BI0548
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- H.A.G. Splinter-van Kan
- W.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Overschrijding termijn art. 18 WOTS leidt niet tot niet-ontvankelijkheid OvJ
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van de Rechtbank Roermond over de ontvankelijkheid van een vordering van de Officier van Justitie (OvJ) tot verlof tot tenuitvoerlegging van een buitenlandse strafvonnis. De OvJ had de vordering ingediend na een overschrijding van de in artikel 18 van Pro de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS) gestelde termijn van twee weken.
De verdediging stelde dat deze overschrijding leidde tot niet-ontvankelijkheid van de OvJ. De Rechtbank oordeelde echter dat op de overschrijding van deze termijn geen sanctie is gesteld en dat de veroordeelde niet in zijn belangen was geschaad, zodat de OvJ ontvankelijk bleef.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep. De wetsgeschiedenis van de WOTS verduidelijkt dat de termijn van twee weken bewust ruimer is gesteld dan bij uitleveringszaken en dat geen sanctie is verbonden aan overschrijding. De Hoge Raad vond dat de Rechtbank geen onjuiste rechtsopvatting had gegeven en dat het middel faalde.
Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren en bevestigt dat de termijnoverschrijding in art. 18 WOTS Pro niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van de OvJ.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde dat de overschrijding van de termijn in art. 18 WOTS niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van de OvJ.