ECLI:NL:HR:2009:BH9918
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin een gevangenisstraf van drie jaar en zes maanden was opgelegd. De verdachte stelde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden.
De Hoge Raad oordeelde dat het middel gegrond was en dat de vertraging in de cassatiefase, die meer dan 36 maanden duurde, aanleiding gaf tot vermindering van de straf met zes maanden. De Hoge Raad vernietigde daarom het bestreden arrest uitsluitend wat betreft de strafduur en stelde de straf vast op drie jaren.
De overige middelen van cassatie werden verworpen omdat deze geen aanleiding gaven tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De uitspraak werd gedaan door de Strafkamer van de Hoge Raad op 16 juni 2009.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van drie jaar en zes maanden naar drie jaar wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.