ECLI:NL:HR:2009:BH5281
Hoge Raad
- Herziening
- F.H. Koster
- J. de Hullu
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek wegens onvoldoende bewijs persoonsverwisseling
De aanvrage tot herziening betrof een vonnis van de Politierechter te Amsterdam waarbij de aanvrager was veroordeeld voor overtreding van art. 9, eerste lid, Wegenverkeerswet 1994. De aanvrage werd ingediend namens de overleden aanvrager door een bijzondere vertegenwoordiger.
De grondslag voor de herziening was een vermeende persoonsverwisseling, waarbij de broer van de aanvrager verklaarde dat iemand zich voor de aanvrager had uitgegeven. De Procureur-Generaal concludeerde dat deze enkele verklaring onvoldoende was om een ernstig vermoeden te wekken dat de rechter de aanvrager vrijgesproken zou hebben als hij hiervan op de hoogte was geweest.
De Hoge Raad volgde deze conclusie en oordeelde dat de omstandigheden niet voldeden aan de vereisten van art. 457, eerste lid, aanhef en onder 2°, Sv. De herzieningsaanvrage werd daarom ongegrond verklaard en afgewezen conform art. 468 Sv Pro.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het verzoek tot herziening af wegens onvoldoende bewijs voor persoonsverwisseling.