ECLI:NL:HR:2009:BH4441

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 mei 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/11759
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling openstaande factuur en rekening-courantverhouding in civiele procedure

De zaak betreft een civiel geschil tussen eiser en Cehave Landbouwbelang Voeders B.V. over de betaling van een openstaande factuur en de rekening-courantverhouding. Eiser werd door Cehave gedagvaard voor betaling van een bedrag van ƒ 386.839,-- met rente en kosten. De rechtbank wees de vordering gedeeltelijk toe en wees de reconventionele vordering van eiser af.

Eiser ging in hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem, dat de vonnissen van de rechtbank bekrachtigde na bewijsopname en getuigenverhoren. Vervolgens stelde eiser beroep in cassatie in tegen deze arresten.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en verwierp het beroep zonder nadere motivering, gelet op artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. De Hoge Raad veroordeelde eiser tot de kosten van het cassatiegeding, waarbij de kosten aan de zijde van Cehave nihil werden begroot.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het vonnis van het gerechtshof wordt bekrachtigd.

Uitspraak

8 mei 2009
Eerste Kamer
07/11759
RM/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
CEHAVE LANDBOUWBELANG VOEDERS B.V., rechtsopvolgster van Cehave Noord B.V.,
gevestigd te Veghel,
VERWEERSTER in cassatie, niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en Cehave.
1. Het geding in feitelijke instanties
De rechtsvoorgangster van Cehave (hierna eveneens: Cehave) heeft bij exploot van 25 november 1997 [eiser] gedagvaard voor de rechtbank te Arnhem en gevorderd, kort gezegd, [eiser] te veroordelen tot betaling van een bedrag van ƒ 386.839,--, met rente en kosten.
[Eiser] heeft de vordering bestreden en een vordering in reconventie ingesteld.
Na tussenvonnissen van 3 augustus 2000 en 15 februari 2001 en verder processueel debat, heeft de rechtbank bij eindvonnis van 4 april 2002 de vordering in conventie toegewezen voor een bedrag van € 163.664,91 en de vordering in reconventie afgewezen.
Tegen voornoemde vonnissen heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem.
Bij tussenarrest van 30 augustus 2005 heeft het hof [eiser] tot bewijs toegelaten. Na getuigenverhoren heeft het hof bij eindarrest van 27 maart 2007 de vonnissen van de rechtbank bekrachtigd.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen beide arresten van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen Cehave is verstek verleend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt Oude Lansink in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Cehave begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, J.C. van Oven en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 8 mei 2009.