ECLI:NL:HR:2009:BH3664

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 mei 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/03268
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 426 RvArt. 401a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep tegen tussenbeschikking in familierechtelijke zaak

In deze familierechtelijke zaak verzocht de vader de rechtbank om een bijzonder curator te benoemen en vervangende toestemming te verlenen voor de erkenning van zijn minderjarige kind. De grootmoeder maakte bezwaar tegen dit verzoek, maar werd door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar. De rechtbank verleende vervolgens de vervangende toestemming aan de vader.

De grootmoeder stelde hoger beroep in bij het gerechtshof, dat de beschikking van de rechtbank vernietigde en de grootmoeder ontvankelijk verklaarde in haar hoger beroep. De zaak werd aangehouden voor een nieuwe mondelinge behandeling. De vader stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen deze beschikking van het hof.

De Hoge Raad oordeelde dat het cassatieberoep betrekking had op een tussenbeschikking, waartegen volgens de wet slechts samen met de eindbeschikking cassatie kan worden ingesteld. Het beroep op schending van het beginsel van hoor en wederhoor maakte dit niet anders. Daarom verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep van de vader niet-ontvankelijk.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van de vader niet-ontvankelijk wegens cassatie tegen een tussenbeschikking.

Uitspraak

8 mei 2009
Eerste Kamer
08/03268
EV/IS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vader],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. C.A. Lucardie,
t e g e n
[De grootmoeder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. E. Grabandt.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vader en de grootmoeder.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 21 november 2006 ter griffie van de rechtbank Rotterdam ingediend verzoekschrift heeft de vader zich gewend tot die rechtbank en verzocht, kort gezegd, een bijzonder curator te benoemen over [de minderjarige] (hierna: de minderjarige) in verband met het verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming voor de erkenning van de minderjarige en aan de vader vervangende toestemming te verlenen tot het erkennen van de minderjarige.
Nadat bij beschikking mr. A.P.T. Posthuma is benoemd tot bijzonder curator over de minderjarige heeft de grootmoeder tijdens de mondelinge behandeling bezwaar gemaakt tegen het verzoek tot vervangende toestemming. De rechtbank heeft bij beschikking van 9 augustus 2007 de grootmoeder niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar en aan de vader vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarige verleend.
Tegen de beschikking van 9 augustus 2007 heeft de grootmoeder hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij beschikking van 28 mei 2008 heeft het hof de bestreden beschikking vernietigd, de grootmoeder ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep en de zaak voor het overige aangehouden voor een nieuwe mondelinge behandeling op een nader vast te stellen datum en tijdstip.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de vader beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De grootmoeder heeft verzocht de vader niet-ontvankelijk te verklaren in het door hem ingestelde cassatieberoep.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker tot cassatie in zijn cassatieberoep.
3. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
3.1 De bestreden beschikking van het hof is een tussenbeschikking. Het hof heeft immers niet reeds door een uitdrukkelijk dictum aan het geding omtrent enig deel van het verzochte (de vervangende toestemming tot erkenning van de betrokken minderjarige) een einde gemaakt.
3.2 Ingevolge art. 426 lid 4 Rv Pro. in verbinding met art. 401a lid 2 Rv. kan beroep in cassatie van een tussenbeschikking slechts tegelijk met dat van de eindbeschikking worden ingesteld, nu het hof niet anders heeft bepaald. Daaraan kan niet afdoen dat de vader in cassatie een beroep heeft gedaan op schending van het beginsel van hoor en wederhoor door het hof.
3.3 De vader kan mitsdien in zijn cassatieberoep niet worden ontvangen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, O. de Savornin Lohman en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 8 mei 2009.