ECLI:NL:HR:2009:BH2429

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/02645 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Herziening
Rechters
  • F.H. Koster
  • J.P. Balkema
  • B.C. de Savornin Lohman
  • J.W. Ilsink
  • H.A.G. Splinter-van Kan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 SvArt. 459 SvArt. 27 Wetboek van Strafrecht
Verwijzingen
5 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid herzieningsverzoek wegens onvoldoende bewijsopgave

De aanvrager is door de Politierechter veroordeeld wegens medeplegen en bezit van een valse waardekaart, met een werkstraf van tachtig uur of veertig dagen hechtenis. Hij verzocht om herziening van dit vonnis op grond van een nieuw feitelijk element, namelijk een getuige die zou verklaren dat hij degene was die destijds werd aangehouden.

De Hoge Raad oordeelt dat een herzieningsverzoek niet kan volstaan met een enkele bewering zonder onderliggende bewijsstukken. De aanvrager moet aannemelijk maken dat de oorspronkelijke rechter bij kennisname van het novum tot een vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging, niet-ontvankelijkheid van het OM of toepassing van een minder zware strafbepaling zou zijn gekomen.

De enkele verklaring dat een getuige bereid is te verklaren, zonder schriftelijke verklaring of bewijsstukken, voldoet niet aan de vereisten van artikel 459 Sv Pro. Ook is niet toegelicht waarom geen schriftelijke verklaring kon worden overgelegd.

Daarom verklaart de Hoge Raad het herzieningsverzoek niet-ontvankelijk en handhaaft het eerdere vonnis. Dit arrest benadrukt de strenge bewijsopgave die vereist is bij herzieningsverzoeken.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende bewijsopgave.

Uitspraak

10 februari 2009
Strafkamer
nr. 08/02645 H
SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Arnhem van 7 juli 2006, nummer 05/910261-05, ingediend door mr. A. Kiliç-Sahin, advocaat te Lent, namens:
[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978, wonende te [woonplaats].
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De Politierechter heeft de aanvrager ter zake van 1. "medeplegen van in het bezit zijn van een waardekaart bedoeld voor het verrichten van betalingen langs geautomatiseerde weg, waarvan hij weet dat het vals is" en 2. "in het bezit zijn van een waardekaart bedoeld voor het verrichten van betalingen langs geautomatiseerde weg, waarvan hij weet dat het vals is" veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig art. 27 Wetboek Pro van Strafrecht.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. De conclusie van de Advocaat-Generaal
De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvrage niet-ontvankelijk zal verklaren.
4. Beoordeling van de aanvrage
4.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv Pro slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
4.2. Art. 459 Sv Pro schrijft voor dat de aanvrage tot herziening inhoudt de omstandigheid als hiervoor bedoeld, waarop zij steunt, en verder een opgave bevat van de bewijsmiddelen waaruit van die omstandigheid kan blijken.
4.3. De aanvrager kan niet volstaan met het aanvoeren van een novum met het doel dat de Hoge Raad daarnaar een nader onderzoek zal (doen) verrichten. Het is de aanvrager die tot op zekere hoogte aannemelijk moet maken dat en waarom de eerder oordelende rechter tot een vrijspraak of enige andere hiervoor onder 4.1 bedoelde beslissing zou zijn gekomen indien hij ten tijde van de behandeling van de strafzaak op de hoogte was geweest van hetgeen in de herzieningsaanvrage naar voren is gebracht (vgl. HR 18 maart 2008, LJN BA1024, rov. 6.6).
4.4. Art. 459 Sv Pro strekt ertoe dat de Hoge Raad zich aan de hand van de opgegeven bewijsmiddelen een oordeel kan vormen over de vraag of de beweringen van de aanvrager juist zijn en of die beweringen het in art. 457 Sv Pro bedoelde ernstige vermoeden kunnen wekken.
Dat vereist in de regel de overlegging van bewijsstukken waaruit het beweerde kan blijken.
4.5. Gelet op een en ander kan de enkele door de aanvrager gedane bewering dat de in de aanvrage met naam, geboortedatum en adres aangeduide getuige bereid is te verklaren dat hij degene is die destijds is aangehouden voor de feiten waarvoor de aanvrager is veroordeeld, niet gelden als "een opgave van de bewijsmiddelen" als bedoeld in art. 459 Sv Pro. Daarbij verdient nog aantekening dat de - door een advocaat ingediende - aanvrage niet inhoudt dat en waarom van de genoemde getuige geen schriftelijke verklaring kon worden overgelegd.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, B.C. de Savornin Lohman, J.W. Ilsink en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 10 februari 2009.