ECLI:NL:HR:2009:BH1990

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 april 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/01494
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:40 BWArt. 3:41 BWArt. 81 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid koopovereenkomst met beding tot zwart betalen wegens strijd met goede zeden

In deze zaak stond de geldigheid van een koopovereenkomst centraal waarin een beding was opgenomen dat de helft van de koopprijs zwart zou worden betaald. De eiser had de overeenkomst aangevochten wegens dwaling, terwijl de verweerster betaling van het volledige bedrag vorderde.

De rechtbank veroordeelde de eiser tot betaling van een deel van het bedrag, maar het gerechtshof vernietigde dit vonnis en veroordeelde de eiser tot betaling van het volledige bedrag van € 41.000, vermeerderd met rente. De eiser stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen dit arrest.

De Hoge Raad oordeelde dat het beding tot zwart betalen in strijd was met de goede zeden en daarom nietig was op grond van artikel 3:40 BW Pro. De gedeeltelijke nietigheid van de overeenkomst werd bevestigd. De klachten van de eiser konden niet leiden tot cassatie, zodat het beroep werd verworpen. De eiser werd veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

Uitkomst: Het cassatieberoep werd verworpen en het beding tot zwart betalen werd gedeeltelijk nietig verklaard wegens strijd met de goede zeden.

Uitspraak

10 april 2009
Eerste Kamer
08/01494
EV/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. M.D. Winter,
t e g e n
[Verweerster],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. S.M. Kingma.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerster].
1. Het geding in feitelijke instanties
[Verweerster] heeft bij exploot van 2 oktober 2003 [eiser] gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam en gevorderd, kort gezegd, [eiser] te veroordelen om aan [verweerster] te betalen een bedrag van € 41.000,-- met rente en kosten.
[Eiser] heeft de vordering bestreden en, in reconventie, gevorderd, kort gezegd, te verklaren voor recht dat de tussen partijen medio december 2002 mondeling en in februari 2003 schriftelijk vastgelegde overeenkomst van koop en verkoop wegens dwaling nietig is.
De rechtbank heeft, na een comparitie van partijen, getuigenverhoren en een tussenvonnis van 6 juli 2005, bij eindvonnis van 5 oktober 2005 [eiser] veroordeeld om aan [verweerster] te betalen een bedrag van € 8.500,--, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 november 2003 tot de dag der voldoening, en het meer of anders gevorderde afgewezen.
Tegen de vonnissen van 6 juli 2005 en 5 oktober 2005 heeft [verweerster] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Na een tussenarrest van 31 mei 2007 heeft het hof bij eindarrest van 18 december 2007 de bestreden vonnissen van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende in conventie en reconventie, [eiser] veroordeeld om aan [verweerster] te betalen een bedrag van € 41.000,-- te vermeerderen met de wettelijke rente.
Het eindarrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het eindarrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor [verweerster] toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 374,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, J.C. van Oven en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 10 april 2009.