ECLI:NL:HR:2009:BH1542

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 april 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/11302
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 243 Rv
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewijskracht van onderhandse akte bij geldlening

In deze zaak stond een geschil omtrent een geldlening centraal waarbij de bewijskracht van een onderhandse akte werd betwist. Verweerster had eiser gedagvaard om haar te ontheffen van een verstekvonnis dat haar tot betaling van €128.000 verplichtte. De rechtbank wees de vordering af na bewijsopdracht aan eiser. Het hof bekrachtigde dit oordeel bij arrest.

Eiser stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en veroordeelde eiser in de kosten van het geding. Hiermee werd bevestigd dat de bewijskracht van onderhandse akten in overeenkomstenrecht standhoudt zoals toegepast in deze procedure.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof.

Uitspraak

10 april 2009
Eerste Kamer
07/11302
DV/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. R.A. van der Hansz,
t e g e n
[Verweerster],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. M.J. van Basten Batenburg.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerster].
1. Het geding in feitelijke instanties
[Verweerster] heeft bij exploot van 9 maart 2004 [eiser] gedagvaard voor de rechtbank Groningen en gevorderd, kort gezegd, [verweerster] te ontheffen van de veroordeling bij verstek tot betaling van een geldbedrag van € 128.000,-- tegen haar uitgesproken bij vonnis door de rechtbank Groningen op 13 december 2002, en de vordering van [eiser] alsnog af te wijzen.
[Eiser] heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft, na [eiser] bewijs te hebben opgedragen bij tussenvonnis van 9 maart 2005, bij eindvonnis van 18 januari 2006 de vorderingen afgewezen.
Tegen deze vonnissen heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Leeuwarden.
Bij arrest van 9 mei 2007 heeft het hof de vonnissen van de rechtbank bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 6.111,34 in totaal, waarvan € 5.997,34 op de voet van art. 243 Rv Pro. te betalen aan de Griffier, en € 114,-- aan [verweerster].
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, J.C. van Oven en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 10 april 2009.