ECLI:NL:HR:2009:BH0046

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 april 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/00846 E
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • J.P. Balkema
  • J.W. Ilsink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 ROArt. 152 SvArt. 8 lid 3 EG verordening nr. 1774/2002
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering geldboete en hechtenis wegens overschrijding inzendtermijn stukken en beoordeling redelijke termijn

Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem in een economische strafzaak. De verdachte werd veroordeeld tot een geldboete en vervangende hechtenis. De Hoge Raad beoordeelde onder meer of sprake was van een overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro en of de inzendtermijn van stukken naar de Hoge Raad was nageleefd.

De Hoge Raad oordeelde dat de klacht over de totale duur van de strafzaak niet tot cassatie kon leiden, omdat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk was en feitelijke waarderingen betreffen die niet in cassatie getoetst kunnen worden. Wel werd geoordeeld dat de overschrijding van de inzendtermijn voor de stukken naar de Hoge Raad gegrond was, wat aanleiding gaf tot vermindering van de opgelegde geldboete en de duur van de vervangende hechtenis.

De Hoge Raad vernietigde daarom het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de geldboete en de duur van de vervangende hechtenis, en stelde deze lager vast. Het beroep werd voor het overige verworpen. Er was geen grond voor ambtshalve vernietiging van het arrest.

De uitspraak werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren, en bevestigt het belang van tijdige procedurele handelingen en de toetsing aan redelijke termijnen in strafzaken.

Uitkomst: De geldboete werd verminderd tot € 2.375,- en de vervangende hechtenis tot 40 dagen wegens overschrijding van de inzendtermijn, terwijl de klacht over overschrijding van de redelijke termijn werd verworpen.

Uitspraak

7 april 2009
Strafkamer
nr. 08/00846 E
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, Economische Kamer, van 3 april 2007, nummer 21/000186-06, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A. Klaassen, advocaat te Veenendaal, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de oplegging van straf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste tot en met het vijfde middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beoordeling van het zesde middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM, is overschreden omdat de totale duur van de behandeling van de strafzaak in feitelijke aanleg te lang is geweest en omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2. Voor zover het middel ziet op de totale duur van de behandeling van de strafzaak in feitelijke aanleg, kan het niet tot cassatie leiden. Het oordeel van het Hof dat het aangevoerde niet meebrengt dat in het onderhavige geval de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet verder worden getoetst.
3.3. Voor zover het middel ziet op de overschrijding van de inzendtermijn voor de stukken naar de Hoge Raad is het gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde geldboete van € 2.500,-.
4. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete en de duur van de vervangende hechtenis;
vermindert de geldboete in die zin dat deze € 2.375,- bedraagt;
vermindert de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze 40 dagen beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 7 april 2009.