ECLI:NL:HR:2009:BG4788
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- B.C. de Savornin Lohman
- W.A.M. van Schendel
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest over duivencarrousel als lokinstrument in jachtwetgeving
In deze zaak stond de vraag centraal of de duivencarrousel, een middel gebruikt bij de jacht op houtduiven, als een lokinstrument moet worden aangemerkt volgens de Beschikking van het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie. De Hoge Raad had eerder prejudiciële vragen gesteld aan het Benelux-Gerechtshof, dat oordeelde dat de duivencarrousel inderdaad als een lokinstrument moet worden beschouwd.
De Nederlandse wetgeving, met name artikel 50 van Pro de Flora- en faunawet en artikel 5 van Pro het Besluit, noemt echter geen lokinstrumenten als toegelaten middelen voor de jacht. Dit leidde tot een conflict tussen de nationale wetgeving en de interpretatie van het Benelux-Gerechtshof. De Hoge Raad stelde vast dat het oordeel van het Hof dat het gebruik van de duivencarrousel niet zonder meer ongeoorloofd zou zijn, een onjuiste rechtsopvatting is.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het bestreden arrest en verwees de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage voor hernieuwde behandeling en beslissing op het bestaande hoger beroep. De Advocaat-Generaal had geconcludeerd dat de vrijspraak zou worden vernietigd en artikel 440, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering passend zou worden toegepast.
Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en vier raadsheren van de Hoge Raad op 6 januari 2009.
Uitkomst: Het arrest van het Gerechtshof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.