ECLI:NL:HR:2009:BG4216
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.W. Ilsink
- W.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en vermindering van ontnemingsbedrag wederrechtelijk verkregen voordeel bij drugshandel
In deze zaak ging het om de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een betrokkene die betrokken was bij de verkoop van heroïne en cocaïne. Het hof had het voordeel geschat op basis van verklaringen van de betrokkene en getuigen, waarbij werd uitgegaan van een verkoop van 40 bolletjes per dag tegen €10 per stuk, waarvan de betrokkene 10% van de opbrengst zou ontvangen. Het hof stelde het voordeel vast op €3.360,- en legde een betalingsverplichting op van €3.000,- vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het hof over de 10% opbrengst niet begrijpelijk was, gezien de verklaringen dat de betrokkene 10% van zijn eigen verkoop kreeg en dat hij 20 bolletjes per dag verkocht. De Hoge Raad vernietigde daarom het hofarrest en stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel zelf vast op €1.680,-. Vervolgens legde de Hoge Raad een betalingsverplichting van €1.500,- op aan de betrokkene, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
De zaak betreft medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet, waarbij het bewijs bestond uit verklaringen van de betrokkene, politieprocessen-verbaal en het vonnis van de rechtbank. De Hoge Raad benadrukte de noodzaak van een begrijpelijke en consistente schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en paste de sanctie dienovereenkomstig aan.
Uitkomst: De Hoge Raad stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €1.680,- en legt een betalingsverplichting van €1.500,- aan de betrokkene op.