ECLI:NL:HR:2009:BD1035
Hoge Raad
- Cassatie
- C.B. Bavinck
- A.R. Leemreis
- J.A.C.A. Overgaauw
- Rechtspraak.nl
Geen toepassing bedrijfsfusievrijstelling bij inbreng contanten zonder zelfstandig ondernemingsonderdeel
Belanghebbende, een Nederlandse vennootschap, ontving aandelenkapitaal van verschillende buitenlandse en Nederlandse houdstermaatschappijen. Een geschil ontstond over de toepassing van de bedrijfsfusievrijstelling in de kapitaalsbelasting bij de inbreng van aandelen en contanten.
De zaak draaide om de vraag of het samenwerkingsverband dat belanghebbende vormde een onderneming exploiteerde die in belanghebbende was ingebracht, en of de inbreng van contanten als inbreng van een zelfstandig onderdeel van een onderneming kon worden aangemerkt. Het Hof oordeelde dat geen sprake was van een onderneming binnen het samenwerkingsverband en dat de inbreng van contanten niet gelijkgesteld kon worden aan de inbreng van een tak van bedrijvigheid.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof. De rechtbank vond geen onjuiste rechtsopvatting of onvoldoende motivering in het oordeel dat het samenwerkingsverband geen onderneming exploiteerde en dat de inbreng slechts contanten betrof. Ook het bestaan van afspraken tussen de partijen om via een gezamenlijke houdstermaatschappij deelnemingen te verwerven, leidt niet tot toepassing van de bedrijfsfusievrijstelling.
Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard en er werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard; de bedrijfsfusievrijstelling is niet van toepassing op de inbreng van contanten zonder inbreng van een zelfstandig ondernemingsonderdeel.