ECLI:NL:HR:2009:BC2865
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de mineralenheffingen op grond van de Meststoffenwet en hun rechtmatigheid
In deze zaak zijn vijftien cassatieberoepen behandeld die betrekking hebben op de regulerende mineralenheffingen ingevolge de Meststoffenwet, die liepen van 1 januari 1998 tot en met 31 december 2005. Het systeem kende twee heffingen: de fosfaatheffing en de stikstofheffing, waarbij gekozen kon worden tussen forfaitaire en verfijnde mineralenheffingen. De berekening van de heffingsgrondslag was deels gebaseerd op werkelijke gehaltes fosfaat en stikstof in dierlijke meststoffen, vastgesteld via steekproefonderzoek.
Uit onderzoek bleek dat de voorgeschreven bemonsterings- en analysemethoden niet voldeden aan de vereiste nauwkeurigheidsnorm van maximaal 15% afwijking binnen het 95%-betrouwbaarheidsinterval, met name voor het fosfaatgehalte. Hierdoor kon de fosfaatheffing niet in stand blijven. De nauwkeurigheidsnorm zelf werd niet als strijdig met het recht beoordeeld.
Verder oordeelde de A-G dat het MINAS-systeem geen juiste implementatie is van de Europese Nitraatrichtlijn, maar dat dit de fiscale soevereiniteit van Nederland niet aantast. Ook werd geoordeeld dat de heffingen niet in strijd zijn met de gemeenschappelijke marktordening voor varkensvlees noch met het recht op eigendomsbescherming zoals bedoeld in artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM.
In de zaken waarin de Minister cassatie instelde, werd het beroep gegrond verklaard behalve ten aanzien van de fosfaatheffing, die door het Hof 's-Hertogenbosch terecht was vernietigd. In de overige zaken werd het beroep eveneens gegrond verklaard voor zover het de fosfaatheffing betreft, die door lagere hoven ten onrechte niet was vernietigd. De uitspraak wordt niet gepubliceerd.
Uitkomst: De fosfaatheffing wordt vernietigd vanwege onvoldoende nauwkeurige bemonstering, overige heffingen blijven in stand.