ECLI:NL:HR:2008:BG1691
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- A.J.A. van Dorst
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep wegens ontbreken middelen
Op 9 december 2008 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 20 juli 2007. Het beroep was ingesteld door verdachte, maar er zijn geen middelen van cassatie namens hem ingediend binnen de wettelijk voorgeschreven termijn door een raadsman, zoals vereist volgens artikel 437, tweede lid, Sv.
De Advocaat-Generaal had reeds geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk zou verklaren. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verklaart het beroep niet-ontvankelijk omdat het ontbreken van middelen betekent dat niet is voldaan aan de ontvankelijkheidseisen.
De uitspraak is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, samen met vice-president A.J.A. van Dorst en raadsheer J.W. Ilsink, en is uitgesproken in aanwezigheid van de waarnemend griffier J.D.M. Hart. Hiermee is het cassatieberoep definitief afgewezen zonder inhoudelijke behandeling van de zaak.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van middelen van cassatie binnen de wettelijke termijn.