ECLI:NL:HR:2008:BF3697
Hoge Raad
- Herziening
- G.J.M. Corstens
- W.A.M. van Schendel
- J. de Hullu
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek medeplegen poging zware mishandeling ondanks geuridentificatieproef
De zaak betreft een herzieningsverzoek tegen een veroordeling voor medeplegen van poging tot zware mishandeling met voorbedachte rade gepleegd op 6 februari 2001 te Ewijk. De aanvrager stelt dat de geuridentificatieproef, uitgevoerd door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland, onbetrouwbaar is omdat het protocol niet werd gevolgd. Deze proef vormde een belangrijk bewijsstuk in de oorspronkelijke veroordeling.
De Hoge Raad overweegt dat de geuridentificatieproef in de periode 1997-2006 vermoedelijk onregelmatig is uitgevoerd, waardoor het resultaat niet als betrouwbaar kan worden beschouwd. Echter, uit het overige bewijsmateriaal, waaronder verklaringen van slachtoffers en getuigen, technische recherchebevindingen, fotoconfrontatie en telefoonlocaties, kan met voldoende aannemelijkheid worden afgeleid dat de aanvrager een van de daders was.
De Hoge Raad stelt dat voor herziening op grond van art. 457 lid 1 sub Pro 2 Sv vereist is dat zonder het betwiste bewijs een ernstig vermoeden bestaat dat de veroordeelde vrijgesproken zou zijn of een lichtere straf zou hebben gekregen. Dit is hier niet het geval. Daarom wordt het verzoek afgewezen.
De uitspraak bevestigt dat ondanks twijfel over een specifiek bewijsstuk, het totaalbeeld van het bewijs voldoende is om de veroordeling te handhaven. De straf was vijftien maanden gevangenisstraf, waarvan vijf maanden voorwaardelijk.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het herzieningsverzoek af en bevestigt de veroordeling ondanks twijfel over de geuridentificatieproef.