ECLI:NL:HR:2008:BF1183
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- W.A.M. van Schendel
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geen niet-ontvankelijkheid OM bij niet expliciet horen minderjarige slachtoffer
In deze zaak stond centraal of het Openbaar Ministerie (OM) niet-ontvankelijk verklaard moest worden omdat het minderjarige slachtoffer niet expliciet de gelegenheid had gekregen haar mening over het gepleegde feit kenbaar te maken, zoals voorgeschreven in artikel 167a van het Wetboek van Strafvordering.
De verdachte werd ervan verdacht ontuchtige handelingen te hebben gepleegd met een minderjarige tussen twaalf en zestien jaar. Het hof verwierp het verweer van de verdachte dat het OM niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens het niet naleven van het hoorrecht van het slachtoffer. Het hof stelde vast dat het slachtoffer in haar verklaringen duidelijk had gemaakt dat zij vervolging wenste.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat alleen in uitzonderlijke gevallen niet-ontvankelijkheid aan de orde is wanneer het OM nalaat het slachtoffer te horen. Het enkel niet expliciet in de gelegenheid stellen is onvoldoende, tenzij hierdoor de belangen van het kind ernstig zijn geschaad. Omdat het slachtoffer geen bezwaar had tegen vervolging, was het oordeel van het hof niet onjuist of onbegrijpelijk.
Het beroep van de verdachte werd verworpen en de overige middelen werden niet-ontvankelijk verklaard omdat zij geen rechtsvragen van belang bevatten voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde dat het OM niet-ontvankelijk is verklaard.