ECLI:NL:HR:2008:BD4941
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- A.J.A. van Dorst
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aftrek voorlopige hechtenis bij tenuitvoerlegging buitenlandse straf
In deze zaak stond de vraag centraal of de tijd die een veroordeelde in voorlopige hechtenis in Duitsland heeft doorgebracht, in mindering moet worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van een buitenlandse straf in Nederland. De rechtbank Maastricht had reeds bepaald dat deze tijd, naast de uitleveringsdetentie in Nederland, in mindering zou worden gebracht.
De Hoge Raad heeft het beroep van de veroordeelde verworpen en bevestigd dat op grond van artikel 31, tweede lid, van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS) ook de voorlopige hechtenis in het buitenland onder het begrip sanctie valt. Dit volgt uit de wetsgeschiedenis, het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (VOGP) en het toelichtend rapport bij dat verdrag.
De Hoge Raad benadrukte dat de rechter verplicht is te bevelen dat de in het buitenland doorgebrachte voorlopige hechtenis bij de uitvoering van de straf in mindering wordt gebracht. De rechtbank had dit juist toegepast door de 275 dagen voorlopige hechtenis in Duitsland mee te rekenen. Het middel van de veroordeelde berustte op een verkeerde lezing van de uitspraak en kon daarom niet tot cassatie leiden.
De Hoge Raad concludeerde dat er geen reden was om de uitspraak van de rechtbank ambtshalve te vernietigen en verwierp het beroep. Hiermee is bevestigd dat ook buitenlandse voorlopige hechtenis meetelt bij de aftrek van de strafduur in Nederland.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de voorlopige hechtenis in het buitenland in mindering moet worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland.