ECLI:NL:HR:2008:BD3713

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 september 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
R06/188HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt hofbeslissing over partneralimentatie wegens onvoldoende motivering draagkrachtberekening

De zaak betreft een geschil tussen voormalige echtelieden over de wijziging van de partneralimentatie. De man verzocht de alimentatie geheel of gedeeltelijk te beëindigen of te verlagen. De rechtbank stelde de alimentatie vast op een lager bedrag dan eerder bepaald, maar wees het verzoek tot volledige beëindiging af. Het hof Amsterdam vernietigde deze beschikking en stelde de alimentatie opnieuw vast, maar hield geen rekening met privé-ziektekosten die de man via een privé-opname van zijn bedrijfsrekening had betaald.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom deze privé-opnames niet in mindering konden worden gebracht op de draagkracht van de man. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof en verwees de zaak voor verdere behandeling naar het gerechtshof te 's-Gravenhage.

De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige en gemotiveerde beoordeling van de draagkracht bij alimentatiezaken, waarbij ook privé-uitgaven van ondernemers correct moeten worden meegewogen. De overige klachten van de man werden niet-ontvankelijk verklaard omdat zij geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof Amsterdam en verwijst de zaak door naar het hof te 's-Gravenhage wegens onvoldoende motivering over de draagkrachtberekening.

Uitspraak

5 september 2008
Eerste Kamer
R06/188HR
RM/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt,
t e g e n
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. J. Groen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.
1. Het geding in feitelijke instanties
Bij verzoekschrift gedateerd 29 juli 2005 (en een aanvullend verzoekschrift van december 2005) heeft de man zich gewend tot de rechtbank Amsterdam en onder meer verzocht, kort gezegd, de beschikking van de rechtbank Haarlem van 23 maart 2004, waarbij voorzover thans van belang is bepaald dat de man met ingang van 23 maart 2004 € 755,-- per maand zal voldoen als bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw, te wijzigen in dier voege dat de verplichting tot betaling van partneralimentatie met ingang van 23 maart 2004 op nihil wordt gesteld. Subsidiair heeft de man verzocht te bepalen dat de verplichting tot betaling van partneralimentatie met ingang van 19 februari 2005 op nihil wordt gesteld.
De vrouw heeft het verzoek bestreden.
De rechtbank heeft bij beschikking van 29 maart 2006 de beschikking van de rechtbank Haarlem van 23 maart 2004 in zoverre gewijzigd dat de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 29 maart 2006 op € 694,-- per maand is bepaald. Het meer of anders verzochte heeft de rechtbank afgewezen.
Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Bij beschikking van 28 september 2006 heeft het hof de beschikking waarvan beroep vernietigd en opnieuw rechtdoende, voor zover thans van belang:
- de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 21 april 2004 tot 1 januari 2007 bepaald op € 530,-- per maand, met dien verstande dat, voorzover de man over de periode vanaf 21 april 2004 tot aan de datum beschikking meer heeft betaald en/of op hem meer is verhaald, de uitkering tot heden wordt bepaald op hetgeen door de man is betaald en/of op hem is verhaald;
- de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 januari 2007 bepaald op € 450,-- per maand;
- het meer of anders verzochte afgewezen.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw heeft een verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping.
De advocaat van de man heeft bij brief van 20 juni 2008 op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Partijen zijn op 7 november 1991 met elkaar gehuwd. Bij beschikking van 23 maart 2004 heeft de rechtbank echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De beschikking is op 21 april 2004 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
(ii) Uit het huwelijk van partijen is op [geboortedatum] 1999 een zoon geboren.
(iii) In de hiervoor vermelde beschikking van 23 maart 2004 heeft de rechtbank, voor zover in cassatie van belang, de door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw bepaald op € 755,-- per maand.
(iv) Tot medio 2003 werkte de man in loondienst. Daarna is hij een eenmanszaak begonnen.
3.2 De man heeft de rechtbank verzocht de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw te bepalen op nihil, althans op een lager bedrag dan is vastgesteld in de beschikking van 23 maart 2004. De rechtbank heeft de alimentatie voor de vrouw met ingang van 29 maart 2006 bepaald op € 694,-- per maand. In hoger beroep heeft het hof bij beschikking van 28 september 2006 de alimentatie over de periode van 21 april 2004 tot 1 januari 2007 bepaald op € 530,-- per maand, met dien verstande dat voor zover de man over de periode vanaf 21 april 2004 tot aan de datum van de beschikking van het hof meer heeft betaald en/of op hem meer is verhaald, de alimentatie over die periode wordt bepaald op hetgeen door de man is betaald en/of op hem is verhaald. In rov. 4.4 heeft het hof onder meer overwogen dat het bij het bepalen van de alimentatie op € 530,-- per maand "geen rekening [heeft] gehouden met de door de man gestelde ziektekosten in 2003, die blijkens een door hem overgelegde pagina uit het grootboek van zijn eenmanszaak € 1.557,-- bedroegen, aangezien het hof ervan uitgaat dat deze kosten zijn verdisconteerd in de winst uit onderneming in dat jaar."
3.3 Onderdeel 1.1, dat opkomt tegen deze overweging van het hof, betoogt dat het hier gaat om privé-ziektekosten, zoals op de grootboekkaart is vermeld en dat ter betaling van deze kosten een privé-opname is gedaan van de bedrijfsrekening. Het onderdeel is terecht voorgesteld. Het oordeel van het hof dat het bij het bepalen van de draagkracht van de man geen rekening behoefde te houden met deze ziektekosten, is ontoereikend gemotiveerd nu uit de omstandigheid dat de ziektekosten als privé-opname zijn opgenomen in het grootboek van een ondernemer niet zonder meer kan worden afgeleid dat deze kosten ten laste zijn gebracht van de winst.
3.4 De overige in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 28 september 2006;
verwijst de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, J.C. van Oven en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 5 september 2008.