ECLI:NL:HR:2008:BD3411
Hoge Raad
- Herziening
- G.J.M. Corstens
- W.A.M. van Schendel
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek wegens onregelmatige geuridentificatieproef bij medeplegen doodslag
De aanvrager verzocht om herziening van een onherroepelijk vonnis wegens onregelmatigheden in de uitvoering van een geuridentificatieproef die als bewijs was gebruikt bij zijn veroordeling voor medeplegen van doodslag. Uit een intern onderzoek bleek dat de geurhondendienst in de periode 1997-2006 regelmatig niet volgens protocol werkte, met name doordat de hondengeleider vooraf op de hoogte was van de sorteervolgorde van de geurdragers.
De Hoge Raad overwoog dat dit een ernstig vermoeden van onbetrouwbaarheid van de geuridentificatieproef oplevert, waardoor het resultaat daarvan niet als bewijs gebruikt zou zijn indien de rechter hiervan op de hoogte was geweest. Echter, in deze zaak kon het bewezenverklaarde ook zonder het resultaat van de geuridentificatieproef worden afgeleid uit het overige bewijsmateriaal, waaronder verklaringen van de aanvrager en mededaders, het sectieverslag en het aantreffen van bloedspetters.
De rechtbank had geoordeeld dat de aanvrager bij alle geweldshandelingen betrokken was en dat het niet aannemelijk was dat hij zich had gedistantieerd van het geweld. De Hoge Raad concludeerde dat het ontbreken van het geurproefresultaat niet zou leiden tot vrijspraak of een lichtere straf. Daarom werd het herzieningsverzoek afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het herzieningsverzoek af omdat het bewezenverklaarde ook zonder de geuridentificatieproef kan worden afgeleid uit het overige bewijsmateriaal.