ECLI:NL:HR:2008:BD2471

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 mei 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
01169/07 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 SvArt. 459 SvArt. 460 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van verzoek tot herziening wegens ontbreken bewijsmiddelen persoonverwisseling

De aanvrager heeft een verzoek tot herziening ingediend van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de politierechter te Zutphen. Hij stelt dat de zaak hem niet bekend is en vreest dat zijn broer gebruik heeft gemaakt van zijn personalia.

De Hoge Raad beoordeelt het verzoek aan de hand van de wettelijke vereisten voor herziening, met name artikel 457 en Pro 459 van het Wetboek van Strafvordering. Deze artikelen schrijven voor dat een verzoek tot herziening moet steunen op nieuwe feiten die bij het oorspronkelijke onderzoek niet bekend waren en die het vermoeden wekken dat het vonnis anders had moeten uitvallen. Tevens moet het verzoek een opgave van bewijsmiddelen bevatten waaruit deze feiten blijken.

De aanvrager heeft echter geen bewijsmiddelen aangeleverd die de vermeende persoonverwisseling ondersteunen. Hierdoor voldoet het verzoek niet aan de formele en inhoudelijke vereisten. De Hoge Raad verklaart het verzoek daarom niet-ontvankelijk en wijst het af.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken van bewijsmiddelen voor persoonverwisseling.

Uitspraak

27 mei 2008
Strafkamer
nr. 01169/07 H
SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Zutphen van 16 januari 2001, nummer 06/060325-00, ingediend door:
[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967, wonende te [woonplaats].
1. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Beoordeling van de aanvrage
2.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv Pro slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
2.2. Art. 459 Sv Pro schrijft voor dat de aanvrage tot herziening inhoudt de omstandigheid als hiervoor bedoeld, waarop zij steunt, en verder een opgave bevat van de bewijsmiddelen waaruit van die omstandigheid kan blijken.
2.3. De aanvrager stelt dat de zaak hem niet bekend is en dat hij bang is dat zijn broer gebruik heeft gemaakt van zijn personalia. De aanvrage bevat echter geen opgave van bewijsmiddelen waaruit van een persoonverwisseling kan blijken. De aanvrage kan daarom, gelet op het bepaalde in de art. 459 en Pro 460 Sv, niet worden ontvangen.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 27 mei 2008.