ECLI:NL:HR:2008:BD2406

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 juli 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C07/015HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
2 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling totstandkoming onvoorwaardelijke koopovereenkomst bij notaris en eisen aan definitief aanbod

In deze zaak stond de vraag centraal of tussen partijen een onvoorwaardelijke koopovereenkomst tot stand was gekomen tijdens een notariële akte. Eiser vorderde nakoming van de overeenkomst die op 28 oktober 2002 bij de notaris was gesloten, terwijl verweerster deze vordering betwistte en in reconventie vernietiging van de overeenkomst op grond van wilsgebreken vorderde.

De rechtbank wees de vordering van eiser toe en wees de reconventionele vordering af. Het hof vernietigde dit vonnis en wees de vordering van eiser af, stellende dat geen onvoorwaardelijke overeenkomst tot stand was gekomen. Tegen dit arrest stelde eiser cassatieberoep in.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van eiser niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de klachten geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten. Het beroep werd verworpen en eiser werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Deze uitspraak bevestigt de strenge eisen die aan een definitief en onvoorwaardelijk aanbod bij een notariële koopovereenkomst worden gesteld en benadrukt het belang van gerechtvaardigd vertrouwen bij de totstandkoming van overeenkomsten.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de vordering tot nakoming afgewezen.

Uitspraak

11 juli 2008
Eerste Kamer
Nr. C07/015HR
EV/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt,
t e g e n
[Verweerster],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerster].
1. Het geding in feitelijke instanties
[Eiser] heeft bij exploot van 27 februari 2004 [verweerster] gedagvaard voor de rechtbank Leeuwarden en gevorderd, kort gezegd, [verweerster] te veroordelen tot nakoming van de op 28 oktober 2002 ten kantore van notaris [de notaris] te [plaats] gesloten overeenkomst van koop en verkoop, zulks onder verbeurte van een dwangsom.
[Verweerster] heeft de vordering bestreden en, in reconventie, gevorderd, kort gezegd, dat indien tussen partijen een overeenkomst zou zijn gesloten, deze zal worden vernietigd op grond van een of meer wilsgebrek(en).
De rechtbank heeft, na comparitie van partijen, bij vonnis van 9 maart 2005 in conventie de vordering van [eiser] toegewezen en in reconventie de vordering van [verweerster] afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft [verweerster] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Leeuwarden.
Bij arrest van 27 september 2006 heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vordering van [eiser] alsnog afgewezen.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 6 juni 2008 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 367,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, A. Hammerstein, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.D.H. Asser op 11 juli 2008.