ECLI:NL:HR:2008:BD2364

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 mei 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
00332/07 (W4)
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 512 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek tegen leden wrakingskamer Hoge Raad

De verzoeker heeft meerdere strafzaken tegen zich lopen waarin hij in hoger beroep door het Gerechtshof te Leeuwarden is veroordeeld voor verschillende strafbare feiten, waaronder afpersing, milieurechtelijke overtredingen en valsheid in geschrift.

Tegen deze arresten heeft de verzoeker cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad. Tijdens de cassatieprocedure heeft zijn raadsman een wrakingsverzoek ingediend tegen de leden van de Strafkamer van de Hoge Raad die de cassatiezaken behandelen. Dit verzoek werd gevolgd door een wrakingsverzoek tegen de leden van de wrakingskamer zelf, omdat deze weigerden verificatievragen te beantwoorden die de verzoeker wilde gebruiken om zijn vrees voor partijdigheid te onderbouwen.

De Hoge Raad oordeelt dat het wrakingsverzoek gebaseerd op de weigering om verificatievragen te beantwoorden, gelet op het procesverloop en de aard van het verzoek, kennelijk misbruik van recht is. Daarom wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard en blijft de samenstelling van de wrakingskamer ongewijzigd.

De beslissing is genomen door de raadsheren Numann, de Hullu en Thomassen en op 14 mei 2008 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens kennelijk misbruik van recht.

Uitspraak

Hoge Raad der Nederlanden
Beslissing
naar aanleiding van een verzoek om wraking van de leden van de wrakingskamer, mrs. E.J. Numann, J. de Hullu en W.M.E. Thomassen, raadsheren in de Hoge Raad der Nederlanden, belast met de behandeling van het verzoek tot wraking van de vijf raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad die zijn belast met de behandeling van de cassatieberoepen in de strafzaken tegen de verzoeker in de strafzaken (nrs. 00332/07, 00333/07, 00334/07 en 00336/07), tegen:
[verzoeker],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
wonende te [woonplaats], verder te noemen de verzoeker,
welk verzoek is ingediend door de raadsman van de verzoeker, mr. L.H.W.M. Koenen, advocaat te Lisse.
1. Procesgang tot op heden
1.1.1. Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft in hoger beroep bij arrest van 4 september 2006 - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Rechtbank te Leeuwarden van 22 juni 2004 - de verzoeker ter zake van "afpersing" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren (00332/07).
1.1.2. Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft in hoger beroep bij arrest van 4 september 2006 - met vernietiging van een vonnis van de Economische Politierechter in de Rechtbank te Leeuwarden van 24 januari 2006 - de verzoeker ter zake van "overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.1 van de Wet milieubeheer" veroordeeld tot een geldboete van € 500,-, subsidiair tien dagen hechtenis (00333/07).
1.1.3. Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft in hoger beroep bij arrest van 4 september 2006 - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Leeuwarden van 21 maart 2005 - de verzoeker ter zake van 1. en 4. telkens opleverende "overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994", 2. "overtreding van artikel 21, aanhef en onder a, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990" en 3. "door het bevoegd gezag naar zijn identiteitsgegevens gevraagd, een valse voornaam, geboortedatum en adres waarop hij in de basisadministratie persoonsgegevens als ingezetene staat ingeschreven, opgeven" veroordeeld ten aanzien van feit 1 en 4 tot een taakstaf bestaande uit een werkstraf voor de duur van dertig uren, subsidiair vijftien dagen hechtenis, ten aanzien van feit 2 tot een geldboete van € 585,-, subsidiair elf dagen hechtenis en ten aanzien van feit 3 tot een geldboete van € 120,-, subsidiair twee dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opgelegd, ten aanzien van feit 1 voor de duur van één maand, ten aanzien van feit 2 voor de duur van vier maanden en ten aanzien van feit 4 voor de duur van één maand (00334/07).
1.1.4. Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft in hoger beroep bij arrest van 4 september 2006 - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Leeuwarden van 6 november 2003 - de verzoeker ter zake van zaak A onder 1 primair "van het plegen van opzetheling een gewoonte maken" en onder 2. "opzettelijk waren, die zelf valselijk zijn voorzien van de handelsnaam van een ander of van het merk waarop een ander recht heeft in voorraad hebben, meermalen gepleegd" en zaak B "valsheid in geschrift, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met verbeurdverklaring, met een last tot teruggave en bewaring van de inbeslaggenomen voorwerpen, een en ander zoals in het arrest vermeld. Voorts heeft het Hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verkaard in haar vordering (00336/07).
1.2. Tegen deze arresten heeft de verzoeker beroep in cassatie ingesteld. Namens hem heeft mr. L.H.W.M. Koenen, advocaat te Lisse, bij afzonderlijke schrifturen middelen van cassatie voorgesteld.
1.3. Mr. Koenen heeft op 22 maart 2008 een verzoek ingediend om wraking van mr. F.H. Koster, vice-president van de Hoge Raad der Nederlanden en voorzitter van de meervoudige strafkamer van de Hoge Raad die is belast met de behandeling van de cassatieberoepen in de strafzaken tegen de verzoeker. Op 2 april 2008 is dit verzoek ter zitting van de Hoge Raad behandeld.
Mr. Koenen heeft op 1 april 2008 een verzoek ingediend om wraking van mr. G.J.M. Corstens, vice-president van de Hoge Raad der Nederlanden, belast met de behandeling van het voornoemde door de raadsman ingediende verzoek om wraking van mr. F.H. Koster, welk verzoek eveneens is behandeld ter zitting van de Hoge Raad van 2 april 2008.
Bij afzonderlijke beslissingen van de Hoge Raad van 2 april 2008 zijn beide wrakingsverzoeken afgewezen.
1.4. Ter terechtzitting van de Hoge Raad van 8 april 2008 heeft mr. Koenen zijn bij schriftuur voorgestelde middelen mondeling toegelicht.
1.5. Mr. Koenen heeft op 8 april 2008 een verzoek ingediend en op 29 april 2008 aangevuld om wraking van de vijf leden van de Strafkamer van de Hoge Raad, mr. F.H. Koster, mr. A.J.A. van Dorst, mr. W.A.M. van Schendel, mr. J.W. Ilsink en mr. H.A.G. Splinter-van Kan, belast met de behandeling van de cassatieberoepen tegen de verzoeker, welk verzoek is behandeld ter zitting van de Hoge Raad van 14 mei 2008. Bij die gelegenheid is door mr. Koenen een verzoek ingediend om wraking van de leden van de wrakingskamer belast met de behandeling van dat eerdere wrakingsverzoek.
1.6. De Advocaat-Generaal Schipper heeft op de zitting van 14 mei 2008 geconcludeerd om het wrakingsverzoek niet in behandeling te nemen nu - kort gezegd - sprake is van misbruik van het wrakingsinstrument.
2. Beoordeling van het wrakingsverzoek
2.1. Op grond van art. 512 Sv Pro kan op verzoek van de verzoeker elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2.2. Blijkens de verklaring van mr. Koenen berust het verzoek om wraking op de weigering van de leden van de wrakingskamer om door de raadsman geformuleerde "verificatievragen" met betrekking tot de onderzoeksplicht van de wrakingskamer te beantwoorden. Blijkens de mededelingen van mr. Koenen zijn de vragen gesteld teneinde te kunnen vaststellen of de vrees van verzoeker dat de leden van de wrakingskamer partijdig zijn, gefundeerd is. De wrakingskamer acht het indienen van een wrakingsverzoek op deze grond, mede gelet op het procesverloop in cassatie tot op heden zoals hiervoor onder 1 weergegeven, kennelijk misbruik van recht.
2.3. Uit het vorenstaande volgt dat samenstelling van een nieuwe wrakingskamer achterwege kan blijven en verzoeker niet in zijn verzoek kan worden ontvangen.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek.
Deze beslissing is gegeven door de raadsheer E.J. Numann als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend-griffier N.R.A. Meerbeek, en in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2008.