ECLI:NL:HR:2008:BD1944
Hoge Raad
- Herziening
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- A.J.A. van Dorst
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van de aanvrage tot herziening wegens ontbreken feitelijke omstandigheid en bewijsmiddelen
De zaak betreft een aanvrage tot herziening van een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage uit 2005, waarbij de aanvrager was veroordeeld voor het opzettelijk nalaten van het tijdig verstrekken van gegevens met het oog op bevoordeling van zichzelf. De aanvrage tot herziening werd ingediend bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad beoordeelde de aanvrage en stelde vast dat deze niet een beroep bevatte op een feitelijke omstandigheid als bedoeld in art. 457 lid 1 sub Pro 2 Sv, noch een opgave van bewijsmiddelen die zodanige omstandigheid konden aantonen. Volgens de Hoge Raad zijn deze elementen essentieel om ontvankelijk te zijn in een herzieningsverzoek.
Daarom oordeelde de Hoge Raad dat de aanvrage niet-ontvankelijk was en wees het verzoek af. Het arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer en uitgesproken op 20 mei 2008.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvrage tot herziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken van feitelijke omstandigheid en bewijsmiddelen.