ECLI:NL:HR:2008:BD1383

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 juni 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C07/041HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beëindiging arbeidsovereenkomst tijdens proeftijd en loonvordering

Eiser heeft de arbeidsovereenkomst met verweerster aangevochten wegens ongeldigheid van het ontslag tijdens de proeftijd en vorderde loonbetaling tot rechtsgeldige beëindiging. De kantonrechter wees de vorderingen af na bewijslevering en getuigenverhoren. Het gerechtshof bekrachtigde dit oordeel. Eiser stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. Het beroep werd verworpen en eiser werd veroordeeld in de kosten van het geding.

De uitspraak bevestigt dat ontslag tijdens de proeftijd onder de toepasselijke wettelijke regeling rechtsgeldig kan zijn en dat loonbetaling na een dergelijk ontslag niet verplicht is indien het ontslag niet onrechtmatig is verklaard.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het ontslag tijdens de proeftijd wordt als rechtsgeldig bevestigd.

Uitspraak

20 juni 2008
Eerste Kamer
Nr. C07/041HR
EV/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens,
t e g e n
[Verweerster], handelende onder de naam [A] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. L.Ph.J. baron van Utenhove.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerster].
1. Het geding in feitelijke instanties
[Eiser] heeft bij exploot van 26 februari 2003 [verweerster] gedagvaard voor de kantonrechter te 's-Gravenhage en gevorderd, kort gezegd, te verklaren voor recht dat het aan [eiser] op 16 oktober 2002 gegeven ontslag nietig is en [verweerster] te veroordelen tot doorbetaling loon tot aan de dag dat de dienstbetrekking op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd.
[Verweerster] heeft de vorderingen bestreden.
De kantonrechter heeft, na bij tussenvonnis van 24 september 2003 [verweerster] tot bewijslevering te hebben toegelaten en getuigenverhoren, bij eindvonnis van 28 april 2004 het gevorderde afgewezen.
Tegen het eindvonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij arrest van 6 oktober 2006 heeft het hof het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 371,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren P.C. Kop, als voorzitter, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 20 juni 2008.