ECLI:NL:HR:2008:BD1104
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- L. Monné
- C.J.J. van Maanen
- Rechtspraak.nl
Geen verboden discriminatie door uitsluiting formele successierechtschulden bij rendementsgrondslag
In deze zaak gaat het om een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2002 die aan de erfgenamen van A is opgelegd. De Inspecteur heeft bij de aanslagregeling een schuld uit het recht van successie, die door de erfgenamen was opgevoerd, niet in aanmerking genomen. Het Gerechtshof verklaarde het beroep van de erfgenamen ongegrond en veroordeelde de Inspecteur in de proceskosten.
De erfgenamen stelden cassatie in tegen het hofvonnis, terwijl de Minister van Financiën incidenteel cassatie instelde tegen het oordeel over de proceskosten. De Hoge Raad oordeelt dat het niet meenemen van de formele successierechtschuld bij de rendementsgrondslag niet leidt tot verboden discriminatie op grond van internationale verdragsartikelen (art. 26 IVBPR Pro en art. 14 EVRM Pro).
Hierdoor vervalt de grondslag voor de proceskostenveroordeling van de Inspecteur door het hof. De Hoge Raad verklaart het incidentele beroep van de Minister gegrond en vernietigt het vonnis van het hof uitsluitend voor zover het de proceskosten betreft. Het principale beroep van de erfgenamen wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het principale beroep ongegrond en vernietigt het hofvonnis alleen voor het deel over proceskosten.