ECLI:NL:HR:2008:BC8870

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 april 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/13523 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Rechters
  • F.H. Koster
  • J.P. Balkema
  • A.J.A. van Dorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 Wet wapens en munitieArt. 26 Wet wapens en munitieArt. 457 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek wegens ontbreken nieuw feitelijk bewijs bij wapendelicten

De aanvrager heeft bij de Hoge Raad een verzoek tot herziening ingediend van een arrest van het Gerechtshof Amsterdam uit 2004, waarin hij was veroordeeld voor medeplegen van wapendelicten. Het verzoek was gebaseerd op een vermeende persoonsverwisseling, ondersteund door processen-verbaal die volgens de aanvrager nieuw bewijs bevatten.

De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde feiten niet als nieuw kunnen worden beschouwd omdat deze documenten reeds bij het hof bekend waren tijdens de behandeling van de zaak. Hierdoor is niet voldaan aan de strenge voorwaarden voor herziening zoals gesteld in artikel 457 Sv Pro, dat vereist dat nieuwe feiten het vermoeden wekken dat de veroordeling onjuist is.

Het verzoek om nader onderzoek naar vingerafdrukken wordt eveneens afgewezen. De Hoge Raad concludeert dat het verzoek kennelijk ongegrond is en wijst het af. Dit arrest bevestigt de restrictieve toepassing van herziening en benadrukt dat een aanvrager niet kan volstaan met het aandragen van feiten die al bekend waren bij eerdere rechtspraak.

Uitkomst: De Hoge Raad wijst het verzoek tot herziening af wegens het ontbreken van nieuwe feiten die het oordeel kunnen beïnvloeden.

Uitspraak

8 april 2008
Strafkamer
nr. 07/13523 H
SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 20 januari 2004, nummer 23/002138-01, ingediend door mr. H. Loth, advocaat te Amsterdam, namens:
[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Amsterdam van 24 mei 2000 - de aanvrager ter zake van "medeplegen van handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd, en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv Pro slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
3.2. Aan de aanvrage is ten grondslag gelegd dat uit een aantal in de aanvrage genoemde processen-verbaal blijkt dat sprake is van een persoonsverwisseling.
3.3. Van de in de aanvrage gestelde omstandigheden kan niet worden gezegd dat deze de rechter die de veroordeling heeft uitgesproken niet bekend waren, nu de desbetreffende processen-verbaal zich bij de stukken van het geding bevonden waarover het Hof bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting van 6 januari 2004 beschikte. Reeds daarom is geen sprake van een omstandigheid als hiervoor onder 3.1 genoemd. Aan het in de aanvrage gedane verzoek dat een nader onderzoek wordt gelast naar de vingerafdrukken van de aangehouden persoon en van de aanvrager, zal derhalve geen gevolg worden gegeven.
3.4. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de aanvrage kennelijk ongegrond is, zodat als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 8 april 2008.