ECLI:NL:HR:2008:BC7904
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J.M. Corstens
- J. de Hullu
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van cassatieberoep wegens ontbreken raadsman
In deze zaak heeft de verdachte zelf de middelen van cassatie opgesteld en ingediend, zonder tussenkomst van een raadsman. De advocaat van de verdachte heeft namens hem een schriftuur ingediend waarin werd verzocht deze middelen als ingelezen te beschouwen. De Advocaat-Generaal concludeerde dat het beroep niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat volgens artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering uitsluitend een raadsman namens de verdachte middelen van cassatie kan indienen.
De Hoge Raad bevestigde deze uitleg en verwees naar eerdere jurisprudentie (HR 19 juni 2001, LJN ZD2857) waarin ditzelfde uitgangspunt werd gehanteerd. Omdat de verdachte niet binnen de wettelijke termijn via een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft ingediend, is het beroep niet ontvankelijk.
De Hoge Raad heeft vervolgens het beroep van verdachte niet-ontvankelijk verklaard. Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, en uitgesproken op 27 mei 2008.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een raadsman die de middelen van cassatie indient.