ECLI:NL:HR:2008:BC5382

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 februari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C06/258HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over onrechtmatige daad en schadevergoeding tussen makelaars na verkoop onroerend goed

De zaak betreft een geschil tussen twee makelaars over de door de kopende makelaar geleden schade in de vorm van gemiste courtage na verkoop van onroerend goed aan een derde partij zonder gelegenheid tot een nieuw bod.

Eiseres vorderde een schadevergoeding van € 84.050,-, welke door de rechtbank gedeeltelijk werd toegewezen maar door het gerechtshof werd afgewezen. Tegen deze afwijzing stelde eiseres beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van eiseres niet tot cassatie konden leiden en verwierp het beroep. De Hoge Raad veroordeelde eiseres tevens in de kosten van het geding in cassatie.

De uitspraak bevestigt dat de vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatige daad in deze context niet toewijsbaar is, zonder nadere motivering omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde zijn.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiseres wordt verworpen en de vordering tot schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

29 februari 2008
Eerste Kamer
Nr. C06/258HR
RM/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Eiseres 1],
gevestigd te [vestigingsplaats],
2. [Eiser 2],
wonende te [vestigingsplaats],
3. [Eiser 3],
wonende te [vestigingsplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. R.F. Thunnissen,
t e g e n
[Verweerder] h.o.d.n. [A] BEDRIJFSMAKELAARDIJ,
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. E. Grabandt.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser c.s.] en [verweerder].
1. Het geding in feitelijke instanties
[Eiser c.s.] heeft bij exploot van 19 februari 2004 [verweerder] gedagvaard voor de rechtbank Haarlem en gevorderd, kort gezegd, [verweerder] te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 84.050,--, met rente en kosten.
[Verweerder] heeft de vordering bestreden.
Na een tussenvonnis van 12 mei 2004, waarbij een comparitie van partijen is gelast, heeft de rechtbank bij eindvonnis van 6 oktober 2004 [verweerder] veroordeeld tot betaling aan [eiser c.s.] van een bedrag van € 10.660,--, te vermeerderen met rente. Het meer of anders gevorderde heeft de rechtbank afgewezen.
Tegen het eindvonnis heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Bij arrest van 15 juni 2006 heeft het hof het eindvonnis van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vordering van [eiser c.s.] alsnog afgewezen.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser c.s.] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middellen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser c.s.] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 470,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A. Hammerstein en J.C. van Oven, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 29 februari 2008.