ECLI:NL:HR:2008:BC1829

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 januari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/11680 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 SvArt. 459 SvArt. 460 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van herzieningsverzoek wegens ontbreken nieuwe omstandigheden

De aanvrage tot herziening betrof een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden waarin de aanvrager was veroordeeld voor medeplegen van opzettelijk brandstichten en medeplegen van verkrachting. De aanvrager stelde dat een ander dan hijzelf de strafbare feiten had gepleegd en voerde diverse omstandigheden aan, waaronder een mogelijke dubbelganger en aanwijzingen dat de politie ten onrechte had geoordeeld.

De Hoge Raad beoordeelde de aanvrage aan de hand van artikel 457 en Pro 459 van het Wetboek van Strafvordering, waarin is bepaald dat herziening alleen mogelijk is op basis van nieuwe, door bewijsmiddelen gestaafde feiten die bij het oorspronkelijke onderzoek niet bekend waren en die het ernstig vermoeden wekken dat de uitkomst van het proces anders zou zijn geweest.

De Hoge Raad stelde vast dat het verweer dat een ander de feiten pleegde reeds in eerste aanleg was aangevoerd, waardoor dit geen nieuwe omstandigheid is. Daarnaast ontbraken bewijsmiddelen die de overige aangevoerde omstandigheden konden staven. Daarom kon de aanvrage niet worden ontvangen en werd deze niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvrage tot herziening niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van nieuwe, door bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden.

Uitspraak

15 januari 2008
Strafkamer
nr. 07/11680 H
AW
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 21 januari 2005, nummer 24/001172-04, ingediend door mr. R. Skála, advocaat te Haren, namens:
[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984, ten tijde van de aanvrage verblijvende in de TBS-kliniek "De Oostvaarderskliniek" te Amsterdam.
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
Het hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Groningen van 22 juli 2004 - de aanvrager ter zake van zaak A "medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is" en zaak B, feit 1 en feit 2 telkens "medeplegen van verkrachting" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en daarbij bevolen dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege. Voorts heeft het Hof de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen en aan de aanvrager een betalingsverplichting opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv Pro slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
3.2. Art. 459 Sv Pro schrijft voor dat de aanvrage tot herziening inhoudt de omstandigheid als hiervoor bedoeld, waarop zij steunt, en verder een opgave bevat van de bewijsmiddelen waaruit van die omstandigheid kan blijken.
3.3.1. De aanvrage bevat een opgave van stellingen die onder meer inhouden:
- dat een ander dan de aanvrager aan het door de slachtoffers gegeven signalement voldoet,
- dat de aanvrager "meent" te weten hoe deze persoon heet en waar deze woont,
- dat deze persoon een "band" heeft met de medepleger,
- dat deze persoon de familie van de aanvrager lastig valt en
- dat een van de slachtoffers - naar de aanvrager "heeft vernomen" - de politie tevergeefs erop heeft geattendeerd dat hij (de aanvrager) ten onrechte is veroordeeld.
Aan de aanvrage zijn foto's gehecht die volgens de aanvrager de beeltenis van die ander ("dubbelganger") weergeven.
3.3.2. Het verweer dat een ander dan de aanvrager de strafbare feiten heeft gepleegd is blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg ook reeds aldaar gevoerd, zodat in zoverre niet van een nieuwe omstandigheid sprake is. Voor het overige betreft het gestelde niets wat kan worden aangemerkt als een door bewijsmiddelen gestaafd beroep op omstandigheden als hiervoor onder 3.1 vermeld.
3.4. Hetzelfde heeft te gelden voor het overige in de aanvrage gestelde.
3.5. De aanvrage kan daarom, gelet op het bepaalde in de art. 459 en Pro 460 Sv, niet worden ontvangen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 15 januari 2008.