ECLI:NL:HR:2008:BC1829
Hoge Raad
- Herziening
- G.J.M. Corstens
- B.C. de Savornin Lohman
- W.A.M. van Schendel
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van herzieningsverzoek wegens ontbreken nieuwe omstandigheden
De aanvrage tot herziening betrof een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden waarin de aanvrager was veroordeeld voor medeplegen van opzettelijk brandstichten en medeplegen van verkrachting. De aanvrager stelde dat een ander dan hijzelf de strafbare feiten had gepleegd en voerde diverse omstandigheden aan, waaronder een mogelijke dubbelganger en aanwijzingen dat de politie ten onrechte had geoordeeld.
De Hoge Raad beoordeelde de aanvrage aan de hand van artikel 457 en Pro 459 van het Wetboek van Strafvordering, waarin is bepaald dat herziening alleen mogelijk is op basis van nieuwe, door bewijsmiddelen gestaafde feiten die bij het oorspronkelijke onderzoek niet bekend waren en die het ernstig vermoeden wekken dat de uitkomst van het proces anders zou zijn geweest.
De Hoge Raad stelde vast dat het verweer dat een ander de feiten pleegde reeds in eerste aanleg was aangevoerd, waardoor dit geen nieuwe omstandigheid is. Daarnaast ontbraken bewijsmiddelen die de overige aangevoerde omstandigheden konden staven. Daarom kon de aanvrage niet worden ontvangen en werd deze niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvrage tot herziening niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van nieuwe, door bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden.