ECLI:NL:HR:2007:BB9837
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- Rechtspraak.nl
Vernietiging oplegging ISD-maatregel wegens onvoldoende motivering en redelijke termijn niet overschreden
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het Gerechtshof Leeuwarden, dat hem veroordeelde tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) voor twee jaar wegens diefstal van bierkratten. Het hof baseerde de oplegging van de maatregel mede op het feit dat verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het bewezenverklaarde feit driemaal was veroordeeld tot vrijheidsbenemende straffen.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd dat ten tijde van het bewezenverklaarde feit ten minste drie van die eerdere veroordelingen geheel ten uitvoer waren gelegd, zoals vereist volgens art. 38m, eerste lid, onder 2°, Sr. Hierdoor was de motivering van de oplegging van de ISD-maatregel ontoereikend. Daarnaast verwierp de Hoge Raad het verweer dat de redelijke termijn was overschreden, ondanks een tijdsverloop van bijna acht maanden tussen het instellen van het cassatieberoep en de ontvangst van de stukken.
De zaak werd terugverwezen naar het hof voor een nieuwe beoordeling van de sanctieoplegging, terwijl het overige cassatieberoep werd verworpen. De Hoge Raad bevestigde daarmee de noodzaak van een zorgvuldige motivering bij oplegging van de ISD-maatregel en handhaafde de redelijke termijnnorm zoals toegepast in deze zaak.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt oplegging ISD-maatregel wegens onvoldoende motivering en wijst zaak terug voor hernieuwde beoordeling.