ECLI:NL:HR:2007:BB7187

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C06/183HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewijswaardering in geschil over aanrijding tussen automobilisten

Deze zaak betreft een geschil tussen twee automobilisten over de aansprakelijkheid voor een aanrijding. Eiser stelde dat verweerder aansprakelijk was, maar het gerechtshof vernietigde het vonnis van de rechtbank en wees de vorderingen van eiser af na uitgebreid getuigenverhoor en bewijswaardering.

Eiser stelde cassatieberoep in tegen het hofarrest, maar de Hoge Raad verwijst naar eerdere arresten en oordeelt dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Er is geen noodzaak tot nadere motivering omdat de klachten geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten.

De Hoge Raad bevestigt daarmee de bewijswaardering van het hof en wijst het beroep van eiser af. Eiser wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding. Dit arrest sluit het langdurige proces af waarin de aansprakelijkheid voor de aanrijding centraal stond.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en het hofarrest bevestigd.

Uitspraak

23 november 2007
Eerste Kamer
Nr. C06/183HR
RM/IS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. A.J.F. Gonesh,
t e g e n
1. [Verweerder 1],
wonende te [woonplaats],
2. N.V. MAATSCHAPPIJ VAN ASSURANTIE, DISCONTERING EN BELEENING DER STAD ROTTERDAM ANNO 1720 (voorheen N.V. Verzekeringsmaatschappij Koning en Boeke van 1819),
gevestigd te Zaandam, Zaanstad,
VERWEERDERS in cassatie,
advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser], [verweerder 1] en de verzekeraar.
1. Het geding in voorgaande instanties
Voor het verloop van het geding in voorgaande instanties verwijst de Hoge Raad naar zijn arrest van 10 oktober 2003, nr. C02/078HR, JOL 2003, 509. Bij dit arrest heeft de Hoge Raad het door [eiser] ingestelde cassatieberoep tegen het tussenarrest van het gerechtshof te Amsterdam van 29 november 2001 verworpen.
Na getuigenverhoor op 4 oktober 2004, waarbij [eiser] zichzelf als getuige heeft doen horen, en memoriewisselingen heeft het hof bij eindarrest van 16 februari 2006 het vonnis waarvan beroep van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [eiser] afgewezen.
Het eindarrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het tweede geding in cassatie
Tegen het eindarrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder 1] en de verzekeraar hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [verweerder 1] en de verzekeraar mede door mr. T.F.E. Tjong Tjin Tai.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder 1] en de verzekeraar begroot op € 367,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren P.C. Kop, als voorzitter, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 23 november 2007.