ECLI:NL:HR:2007:BB4746

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 oktober 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
43082
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • P.J. van Amersfoort
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
  • A.R. Leemreis
  • E.N. Punt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 quater Verordening 1408/71Verordening (EG) nr. 1399/1999Bijlage VI Verordening 1408/71
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzekeringsplicht WAZ voor in België wonende directeur-grootaandeelhouder en toepassing Verordening 1408/71

Belanghebbende, een in België wonende directeur-grootaandeelhouder van een Nederlandse besloten vennootschap die een dierenartspraktijk exploiteert, was in geschil met de Nederlandse Belastingdienst over de premieheffing voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) over het jaar 2002.

De Rechtbank Breda had het beroep van belanghebbende tegen de aanslag ongegrond verklaard, waarbij werd vastgesteld dat op grond van Verordening (EEG) nr. 1408/71 en de met ingang van 1 september 1999 geldende wijziging in bijlage VI, punt 7, belanghebbende voor de toepassing van de WAZ als iemand in loondienst werd aangemerkt en dus premieplichtig was.

Belanghebbende stelde in cassatie dat deze aanpassing van bijlage VI niet door Nederland was doorgevoerd en dat de Verordening ongeldig zou zijn. De Hoge Raad verwierp dit verweer, bevestigde de geldigheid van de Verordening en de toepasselijkheid van de Nederlandse WAZ-premieplicht op belanghebbende.

De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en wees een veroordeling in proceskosten af.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de premieplicht van belanghebbende voor de WAZ in Nederland.

Uitspraak

nr. 43.082
5 oktober 2007
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z, België, (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank te Breda van 12 januari 2006, nr. AWB 05/867, betreffende na te melden aanslag in de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor de Rechtbank
Aan belanghebbende is voor het jaar 2002 een aanslag in de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen opgelegd naar een premie-inkomen van € 23.120, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank.
De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel voorgesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende heeft de Belgische nationaliteit en woont in België. Belanghebbende houdt alle aandelen in en is directeur van een in Nederland gevestigde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die een dierenartspraktijk drijft. Belanghebbende geniet loon van deze vennootschap, welk loon in Nederland is onderworpen aan de heffing van inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen, aangezien voor die heffingen belanghebbendes werkzaamheden worden aangemerkt als in loondienst verrichte werkzaamheden.
Belanghebbende verricht tevens, als zelfstandig dierenarts, werkzaamheden in België. Ter zake van deze werkzaamheden is hij onderworpen aan de Belgische belastingheffing en sociale verzekeringswetgeving, voor de toepassing waarvan hij als zelfstandige wordt aangemerkt.
Naar Nederlands nationaal recht behoort belanghebbende tot de kring van verzekerden op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (hierna: de WAZ).
3.2. Voor de Rechtbank was in geschil of ook op grond van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich verplaatsen (hierna: de Verordening) belanghebbende in het onderhavige jaar in Nederland onderworpen was aan en daarmee premieplichtig was voor de WAZ. De Rechtbank heeft deze vraag bevestigend beantwoord onder verwijzing naar de met ingang van 1 september 1999 van kracht geworden bepaling van punt 7 van bijlage VI van de Verordening. Het middel keert zich tegen dit oordeel.
3.3. Anders dan het middel stelt, heeft de aanpassing van bijlage VI bij de Verordening niet plaatsgevonden door Nederland. Die aanpassing is tot stand gebracht door een verordening van de Raad, te weten Verordening (EG) nr. 1399/1999 van 29 april 1999, waarbij de Verordening is gewijzigd. Met ingang van 1 september 1999 bepaalt de Verordening in bijlage VI, rubriek "J. Nederland", dat voor de toepassing van de bepalingen van titel II een persoon als belanghebbende wordt beschouwd als iemand die activiteiten in loondienst verricht. In samenhang gelezen met artikel 89 van Pro de Verordening, waarvan voormelde bepaling een uitwerking vormt, schept die bepaling het gevolg dat belanghebbende voor de toepassing van de Verordening geacht moet worden door de Nederlandse wetgeving te worden aangemerkt als iemand die werkzaamheden in loondienst uitoefent. Dit brengt, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 30 januari 1997, De Jaeck, C-340/94, Jurispr. blz. I-461, BNB 1997/308, mee dat ingevolge artikel 14 quater Pro van de Verordening op hem, voor zover hij inkomsten geniet als directeur-grootaandeelhouder in Nederland, de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving wat betreft arbeidsongeschiktheidsverzekering van toepassing is.
Omdat bijlage VI deel uitmaakt van de Verordening kan die bijlage niet ongeldig zijn wegens strijdigheid met diezelfde Verordening. In het door het middel aangevoerde is ook geen reden te vinden om te twijfelen aan de geldigheid van de Verordening op de grond dat deze in strijd zou zijn met enige bepaling van gemeenschapsrecht van hogere orde. Op het voorgaande stuit het middel af.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer P.J. van Amersfoort als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens, C.B. Bavinck, A.R. Leemreis en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2007.