ECLI:NL:HR:2007:BB4100
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- J. de Hullu
- Rechtspraak.nl
Nietigheid onderzoek wegens schending recht van verdediging bij verbeurdverklaring runderen
In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor overtreding van een voorschrift uit de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Tijdens de terechtzitting in hoger beroep op 26 januari 2006 werd aan verdachte medegedeeld dat niet inhoudelijk zou worden ingegaan op het afmaken van drie kalveren, waarna verdachte de zittingszaal verliet. Na zijn vertrek heeft de Advocaat-Generaal een vordering tot onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen runderen gedaan, en heeft het Hof deze runderen verbeurdverklaard in zijn einduitspraak.
De Hoge Raad oordeelt dat verdachte hierdoor in de veronderstelling werd gebracht dat de beslissing over de runderen niet ter terechtzitting aan de orde zou komen, terwijl het onderzoek ter terechtzitting feitelijk werd gesloten en het Hof na het vertrek van verdachte toch een beslissing nam. Dit is in strijd met het recht van verdediging zoals verankerd in artikel 311, tweede en vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering, dat vereist dat verdachte de gelegenheid krijgt aan te voeren wat in zijn belang is.
De schending van dit fundamentele procesrecht leidt tot nietigheid van het onderzoek en de daarop gebaseerde uitspraak. De Hoge Raad vernietigt daarom het bestreden arrest voor zover het de verbeurdverklaring van de runderen betreft en wijst de zaak terug naar het Hof Leeuwarden voor hernieuwde behandeling en beslissing over het betreffende onderdeel van de zaak.
De overige middelen van cassatie worden verworpen. Het arrest is gewezen door de vice-president Koster als voorzitter en raadsheren Balkema en de Hullu, en uitgesproken op 30 oktober 2007.
Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen wegens schending van het recht van verdediging.