ECLI:NL:HR:2007:BB3317

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 oktober 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C06/130HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzekeringsrecht en de afbakening van WAM- en AVB-verzekering in cassatie

In deze zaak, die voor de Hoge Raad is gebracht, gaat het om een geschil tussen Delta Lloyd Schadeverzekering N.V. en een verweerster, voorheen genaamd [A] B.V., over de dekking van schade die is ontstaan door een ongeval op 22 mei 1997. De verweerster had Delta Lloyd gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam, waarbij zij vorderde dat Delta Lloyd zou worden veroordeeld tot vergoeding van de schade die zij aan haar werknemer, [betrokkene 1], moest betalen. De rechtbank heeft de vorderingen van de verweerster bij vonnis van 21 juli 2004 afgewezen. Hierop heeft de verweerster hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam, waar zij haar eis heeft gewijzigd en onder andere heeft gevorderd dat Delta Lloyd aansprakelijk is voor de schade en dekking dient te verlenen onder de verzekeringsovereenkomst.

Het gerechtshof heeft op 9 februari 2006 het vonnis van de rechtbank vernietigd en geoordeeld dat Delta Lloyd dekking dient te verlenen onder de verzekeringsovereenkomst. Delta Lloyd heeft vervolgens cassatie ingesteld tegen dit arrest van het hof. De Hoge Raad heeft de zaak beoordeeld en geconcludeerd dat de klachten van Delta Lloyd niet tot cassatie kunnen leiden. De Hoge Raad heeft het beroep verworpen en Delta Lloyd veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie, die zijn begroot op € 367,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris. De uitspraak is gedaan door de vice-president en een aantal raadsheren, en openbaar uitgesproken op 5 oktober 2007.

Uitspraak

5 oktober 2007
Eerste Kamer
Nr. C06/130HR
MK/IS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERING N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand,
t e g e n
[Verweerster], voorheen genaamd [A] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. J. Streefkerk.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Delta Lloyd en [verweerster].
1. Het geding in feitelijke instanties
[Verweerster] heeft bij exploot van 9 december 2002 onder meer Delta Lloyd gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam en gevorderd, kort gezegd, Delta Lloyd te veroordelen tot vergoeding aan [verweerster] van al datgene dat [verweerster] aan haar werknemer, [betrokkene 1], zal dienen te betalen in verband met het hem op 22 mei 1997 overkomen ongeval en Delta Lloyd te veroordelen tot vergoeding van de schade die [verweerster] heeft geleden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met kosten.
Delta Lloyd heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft bij vonnis van 21 juli 2004 de vorderingen afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft [verweerster] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. [Verweerster] heeft haar eis in hoger beroep gewijzigd en gevorderd, kort gezegd:
1. te verklaren voor recht dat Delta Lloyd voor de schade ter zake van het ongeval dekking dient te verlenen, dan wel aansprakelijk is, dan wel Delta Lloyd te veroordelen tot nakoming van de verplichtingen voortvloeiende uit de gesloten verzekeringsovereenkomsten met polisnummer [001] en/of de daarop van toepassing verklaarde voorwaarden met nummer [002];
2. subsidiair voor recht te verklaren dat Delta Lloyd ten onrechte een beroep doet op de uitsluiting genoemd in art. 3 sub 2 van de voorwaarden [002], rubriek A.
Bij arrest van 9 februari 2006 heeft het hof, voorzover in cassatie van belang, het vonnis van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, voor recht verklaard dat Delta Lloyd dekking dient te verlenen onder de met [verweerster] gesloten verzekeringsovereenkomst en aldus gehouden is om alle geleden en nog te lijden schade van [verweerster] te betalen, opgekomen door het ongeval op 22 mei 1997, waarbij [betrokkene 1] schade heeft geleden.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft Delta Lloyd beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt Delta Lloyd in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 367,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann, A. Hammerstein en J.C. van Oven, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 5 oktober 2007.