ECLI:NL:HR:2007:BB2952

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 oktober 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
02257/06
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33a SrArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt verbeurdverklaring memorecorder wegens ontbreken wettelijke voorwaarden

In deze strafzaak heeft het Hof Amsterdam verdachte veroordeeld voor het doen van een valse aangifte en valsheid in geschrift, waarbij onder meer een memorecorder in beslag werd genomen en verbeurd verklaard. De verdachte had de memorecorder gebruikt om een geluidsopname te maken die als bewijs diende.

De Hoge Raad oordeelt dat het Hof niet voldoende heeft vastgesteld dat de memorecorder aan de voorwaarden voor verbeurdverklaring voldoet zoals bedoeld in art. 33a Sr. Er was geen verband tussen het voorwerp en het bewezenverklaarde feit, noch was de opsporing van het misdrijf met het voorwerp belemmerd.

Daarom vernietigt de Hoge Raad de verbeurdverklaring en gelast de teruggave van de memorecorder aan de verdachte. Het beroep wordt voor het overige verworpen en de rest van het vonnis blijft in stand.

De Hoge Raad doet dit zelf omwille van doelmatigheid, zodat de zaak niet hoeft te worden terugverwezen. De memorecorder kan niet als verbeurd verklaard worden aangemerkt omdat het niet voldoet aan de wettelijke vereisten.

De uitspraak benadrukt het belang van een deugdelijke motivering bij verbeurdverklaring en het strikt toepassen van de wettelijke criteria.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de verbeurdverklaring van de memorecorder en gelast de teruggave aan de verdachte.

Uitspraak

16 oktober 2007
Strafkamer
nr. 02257/06
EC/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 4 mei 2006, nummer 23/005866-05, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Alkmaar van 7 november 2005 - de verdachte ter zake van 1. "aangifte doen dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is" en 2. "valsheid in geschrift" veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met verbeurdverklaring zoals in het arrest omschreven.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. B.P. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De waarnemend Advocaat-Generaal Bleichrodt heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen, doch uitsluitend voor wat betreft de verbeurdverklaring, zal bepalen dat de onder de verdachte inbeslaggenomen memorecorder aan hem zal worden teruggegeven, en het beroep voor het overige zal verwerpen.
2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadslieden op de conclusie van de waarnemend Advocaat-Generaal.
3. Beoordeling van het derde middel
3.1. Het middel komt op tegen de onder 1 vermelde verbeurdverklaring.
3.2. In cassatie kan, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, van het volgende worden uitgegaan.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich op 31 mei 2004 schuldig heeft gemaakt aan een valse aangifte van diefstal met geweld. Volgens zijn aangifte zou hij daarbij zijn bestolen van onder meer een grote hoeveelheid drogisterijartikelen. Blijkens de vaststellingen van het Hof waren die artikelen echter nog niet aan de verdachte geleverd. De verdachte heeft dit laatste steeds ontkend. Ter toelichting heeft hij ter terechtzitting in eerste aanleg een geluidsband overgelegd van een gesprek met de leverancier van de drogisterijartikelen. Die geluidsopname heeft de verdachte ruim een jaar na de hiervoor onder 1 genoemde aangifte en enkele dagen voor de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting gemaakt. Het inbeslaggenomen voorwerp is de memorecorder waarmee, naar de verdachte stelt, de geluidsopname is gemaakt. Die memorecorder is inbeslaggenomen voor onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut. De onderzoeksresultaten zijn bij de stukken gevoegd. Bij de bestreden uitspraak heeft het Hof de memorecorder verbeurd verklaard.
3.3. Het Hof heeft er in de bestreden uitspraak geen blijk van gegeven te hebben vastgesteld dat aan de voorwaarden voor verbeurdverklaring is voldaan. De verbeurdverklaring is mitsdien niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
3.4. Het middel treft doel. De Hoge Raad zal de zaak om doelmatigheidsredenen zelf afdoen. Naar uit het hiervoor onder 3.2 overwogene volgt kan de memorecorder niet worden aangemerkt als een voorwerp dat op de voet van art. 33a, eerste lid, Sr voor verbeurdverklaring in aanmerking kan komen nu van een verband als bedoeld in die bepaling van dat voorwerp met het bewezenverklaarde feit geen sprake is terwijl ook de opsporing van het misdrijf met behulp daarvan niet is belemmerd. De rechter, naar wie de zaak zou worden verwezen of teruggewezen, zal dan ook tot geen andere beslissing kunnen komen dan de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aan de verdachte.
4. Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dat behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen dat als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de verbeurdverklaring van een inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten "1 Lervia KH 4110 memorecorder, kleur zwart";
gelast de teruggave van dit voorwerp aan de verdachte;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 16 oktober 2007.