ECLI:NL:HR:2007:BA9608
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- E.J. Numann
- A. Hammerstein
- F.B. Bakels
- W.D.H. Asser
- Rechtspraak.nl
Internationale bevoegdheid en grensoverschrijdend inbreukverbod bij Europees octrooi
In deze zaak oordeelt de Hoge Raad over de internationale bevoegdheid van Nederlandse rechtbanken bij geschillen over inbreuk op een Europees octrooi door verschillende vennootschappen binnen en buiten het EEX-gebied. De zaak bouwt voort op een eerder arrest van de Hoge Raad uit 2003 en een arrest van het Hof van Justitie van 13 juli 2006 (zaak C-539/03).
De Hoge Raad vernietigt de arresten van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 2001 en 2002 en het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 1997 voor zover het betreft de buitenlandse Roche-vennootschappen. De rechtbank wordt onbevoegd verklaard kennis te nemen van vorderingen tegen deze vennootschappen vanwege het ontbreken van samenhang zoals vereist door art. 6 lid 1 EEX Pro-Verdrag, conform de uitleg van het Hof van Justitie.
Voor de vennootschappen gevestigd in Nederland wordt de zaak terugverwezen naar het gerechtshof te 's-Gravenhage voor verdere behandeling. Tevens wordt besproken dat bij betwisting van de geldigheid van het octrooi art. 16.4 EEX-Verdrag exclusieve bevoegdheid toekent aan de gerechten van de staat waar het octrooi is geregistreerd, hetgeen ook geldt voor de Nederlandse rechter die de inbreukvordering behandelt.
De Hoge Raad benadrukt dat de rechter de inbreukprocedure mag aanhouden in afwachting van een oordeel van de bevoegde buitenlandse rechter over de geldigheid, tenzij de eisende partij dit niet wenst. De kosten van het cassatieproces worden verdeeld tussen partijen. Het arrest is gewezen door de vice-president en vier raadsheren en op 30 november 2007 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de Nederlandse rechter onbevoegd voor vorderingen tegen buitenlandse vennootschappen en verwijst de zaak tegen Nederlandse vennootschappen terug naar het gerechtshof.