ECLI:NL:HR:2007:BA8044

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
38908 bis
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • D.G. van Vliet
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
  • A.R. Leemreis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8704 10 GNVerordening (EEG) nr. 2658/87Verordening (EG) nr. 2261/98
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitlegging post 8704 10 GN over dumpers primair ontworpen voor gebruik buiten verharde weg

In deze zaak heeft de Hoge Raad het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 22 oktober 2002 vernietigd en de zaak verwezen voor verdere behandeling. De kern van het geschil betrof de uitleg van postonderverdeling 8704 10 van de gecombineerde nomenclatuur, die betrekking heeft op dumpers. Het Hof had geoordeeld dat alleen dumpers die uitsluitend voor gebruik in het terrein zijn ontworpen in deze post vallen.

De Hoge Raad verwijst naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 11 januari 2007 (C-400/05), waarin is vastgesteld dat dumpers die speciaal en primair zijn ontworpen voor gebruik buiten de verharde, openbare weg onder deze post vallen, ook als zij bijkomend over de verharde weg kunnen rijden. Het Hof had dit verkeerd geïnterpreteerd door uitsluitend te kijken naar exclusief terreingebruik.

Daarom is het arrest van het Hof Amsterdam vernietigd en is de zaak terugverwezen voor nader onderzoek naar de vraag of de voertuigen in kwestie aan deze criteria voldoen. Tevens is de Staat veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.

Uitkomst: Het arrest van het Hof Amsterdam wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nader onderzoek naar de classificatie van dumpers.

Uitspraak

Nr. 38.908
29 juni 2007
gewezen op het beroep in cassatie van B.A.S. Trucks B.V. te Veghel (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 22 oktober 2002, nr. 99/90085 DK, na beantwoording van de door de Hoge Raad bij na te melden arrest aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen gestelde vraag.
1. Ontstaan en loop van het geding
Voor een overzicht van het ontstaan en de loop van het geding tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 11 november 2005, nr. 38908, BNB 2006/36, wordt verwezen naar dat arrest, waarbij de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft verzocht een prejudiciële beslissing te geven over de in dat arrest geformuleerde vraag.
Bij arrest van 11 januari 2007, C-400/05, heeft het Hof van Justitie, uitspraak doende op die vraag, voor recht verklaard:
"Postonderverdeling 8704 10 van de gecombineerde nomenclatuur, opgenomen in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2261/98 van de Commissie van 26 oktober 1998, moet aldus worden uitgelegd dat die postonderverdeling ziet op dumpers in de zin van de genoemde onderverdeling die speciaal en primair zijn ontworpen voor gebruik buiten de verharde, openbare weg. Dat dumpers kenmerken hebben waardoor zij, bijkomend, over de verharde, openbare weg kunnen rijden, staat niet in de weg aan de indeling ervan als dumpers in die zin van die postonderverdeling."
Zowel belanghebbende als de Minister van Financiën heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, schriftelijk gereageerd op dit arrest.
2. Nadere beoordeling van de middelen
Gelet op de hiervoor onder 1 vermelde verklaring voor recht heeft het Hof ten onrechte geoordeeld dat voor indeling in postonderverdeling 8704 10 alleen die vrachtwagens in aanmerking komen die zijn ontworpen met het oog op uitsluitend gebruik in het terrein. Middel 1 is derhalve gegrond. 's Hofs uitspraak kan mitsdien niet in stand blijven.
Verwijzing moet volgen voor onderzoek van de vraag of de onderwerpelijke voertuigen speciaal en primair zijn ontworpen voor gebruik buiten de verharde, openbare weg. De middelen 2 en 3 behoeven geen behandeling.
3. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 165, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2576 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, P. Lourens, C.B. Bavinck en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2007.