ECLI:NL:HR:2007:BA6244
Hoge Raad
- Cassatie
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- A. Hammerstein
- F.B. Bakels
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Verdeling huwelijksgoederengemeenschap en verrekening kosten huishouding
Partijen zijn in 1987 in gemeenschap van goederen gehuwd en zijn in 2001 gescheiden. De rechtbank en het hof hebben de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vastgesteld, maar er bleef een geschil bestaan over twee bedragen: een opname van ƒ 59.000 van de gezamenlijke spaarrekening door de vrouw en een voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting (IB) van € 2.698,18 die aan de vrouw was uitbetaald.
De rechtbank oordeelde dat de opname van ƒ 59.000 was aangewend voor noodzakelijke kosten van levensonderhoud en dat verrekening niet nodig was. Het hof volgde dit oordeel. Over de voorlopige teruggaaf IB oordeelde de rechtbank dat deze niet voor verrekening in aanmerking kwam, maar het hof stelde dat deze binnen de gemeenschap viel en verrekend moest worden.
De Hoge Raad verwerpt het beroep van de man over de opname van ƒ 59.000, omdat deze kosten mede ten laste van het gemeenschappelijk vermogen kwamen. Het incidentele beroep van de vrouw over de voorlopige teruggaaf IB wordt gegrond verklaard, omdat deze betrekking had op een periode na de peildatum en het bedrag na de peildatum was uitbetaald, waardoor het niet tot de gemeenschap behoorde.
De Hoge Raad vernietigt daarom het oordeel van het hof over de verrekening van de voorlopige teruggaaf en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 20 april 2004.
Uitkomst: De voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting na de peildatum valt niet in de gemeenschap en hoeft niet te worden verrekend.