ECLI:NL:HR:2007:BA5805

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 september 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
R06/145HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep in zaak ondertoezichtstelling minderjarige

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank Breda om de minderjarige dochter onder toezicht te stellen van de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant. De rechtbank stelde het kind op 14 september 2005 onder toezicht voor de duur van één jaar. De moeder stelde hiertegen hoger beroep in bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, dat de beschikking van de rechtbank op 27 juli 2006 bekrachtigde.

Na afloop van de ondertoezichtstelling op 14 september 2006 stelde de moeder op 26 oktober 2006 cassatieberoep in tegen de beschikking van het hof. De Raad en de Stichting hebben geen verweerschrift ingediend. De Advocaat-Generaal adviseerde de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar cassatieberoep.

De Hoge Raad oordeelde dat nu de ondertoezichtstelling was geëindigd, de moeder geen belang meer had bij haar cassatieberoep. Daarom werd zij niet-ontvankelijk verklaard. De beschikking werd gegeven door de vice-president en raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 28 september 2007.

Uitkomst: De moeder wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar cassatieberoep wegens gebrek aan belang na afloop van de ondertoezichtstelling.

Uitspraak

28 september 2007
Eerste Kamer
Rek.nr. R06/145HR
MK/RM
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De moeder],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. R.T.R.F. Carli,
t e g e n
[De vader],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. R.F. Thunnissen.
e n t e g e n
1. RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
gevestigd te Breda,
2. STICHTING BUREAU JEUGDZORG NOORD-BRABANT,
gevestigd te Eindhoven,
BELANGHEBBENDEN in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de moeder, de vader, de Raad en de Stichting.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 6 juli 2005 ter griffie van de rechtbank Breda ingediend verzoekschrift heeft de Raad zich gewend tot die rechtbank en verzocht, kort gezegd, de minderjarige [dochter] (hierna: [het kind]), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999, onder toezicht te stellen van de Stichting.
De rechtbank heeft bij beschikking van 14 september 2005 [het kind] met ingang van die dag tot uiterlijk 14 september 2006 onder toezicht van de Stichting gesteld.
Tegen deze beschikking heeft de moeder hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Bij beschikking van 27 juli 2006 heeft het hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vader heeft verzocht het beroep te verwerpen. De Raad en de Stichting hebben geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de moeder in haar cassatieberoep.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming heeft de rechtbank Breda [het kind] bij beschikking van 14 september 2005 met ingang van die dag tot uiterlijk 14 september 2006 onder toezicht van de Stichting gesteld. Op het door de moeder ingestelde hoger beroep heeft het hof bij beschikking van 27 juli 2006 de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. Nu de ondertoezichtstelling op 14 september 2006 is afgelopen, heeft de moeder geen belang bij haar (op 26 oktober 2006 ingestelde) cassatieberoep, zodat zij daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, A. Hammerstein, C.A. Streefkerk en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 28 september 2007.