ECLI:NL:HR:2007:BA5659
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.W. Ilsink
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vermindert gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in belastingfraudezaak
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarin de verdachte werd veroordeeld voor het niet voeren van een juiste administratie, het doen van onjuiste belastingaangiften en het gebruik van valse geschriften, met als gevolg te weinig geheven belasting. Het hof had bewezen verklaard dat de verdachte deze feiten zelf heeft gepleegd en niet slechts heeft doen plegen.
De verdediging stelde dat het hof de grondslag van de tenlastelegging had verlaten door niet te kiezen tussen de varianten 'plegen' en 'doen plegen'. De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof de tenlastelegging zodanig had uitgelegd dat 'doen plegen' slechts een feitelijke beschrijving was van de wijze van plegen, en dat deze uitleg niet onverenigbaar was met de bewoordingen van de tenlastelegging.
Daarnaast stelde de verdachte dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden. De Hoge Raad bevestigde deze overschrijding en achtte dit reden voor strafvermindering.
De Hoge Raad vernietigde het arrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en verminderde deze tot negentien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk. Het beroep werd voor het overige verworpen en de zaak werd terugverwezen voor hernieuwde berechting van de strafoplegging.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot negentien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, wegens overschrijding van de redelijke termijn.