ECLI:NL:HR:2007:BA4943

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 september 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
01434/06
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • W.M.E. Thomassen
  • H.A.G. Splinter-van Kan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Huisvredebreuk en de bescherming van het huisrecht volgens artikel 138 Sr

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 4 september 2007 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem. De verdachte was veroordeeld voor het medeplegen van huisvredebreuk, zoals omschreven in artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht. De feiten van de zaak betroffen een incident op 6 december 2003, waarbij de verdachte samen met anderen wederrechtelijk een woning in Almelo binnendrong die in gebruik was bij twee benadeelde partijen. De verdediging stelde dat de benadeelde partijen onrechtmatig gebruik maakten van de woning, en dat dit zou betekenen dat er geen sprake kon zijn van 'wederrechtelijk' binnendringen in de zin van artikel 138 Sr.

De Hoge Raad oordeelde dat artikel 138 Sr het huisrecht van een ander beschermt, ongeacht of die bewoning rechtmatig is. De opvatting van de verdediging dat onrechtmatig gebruik door de benadeelde partijen zou uitsluiten dat er sprake was van wederrechtelijk binnendringen, werd verworpen. De Hoge Raad benadrukte dat het binnendringen in een woning in strijd met het objectieve recht moet zijn, en dat de bescherming van de huisvrede niet afhankelijk is van de rechtmatigheid van het gebruik door de benadeelde partij.

De Hoge Raad verwierp het beroep van de verdachte, omdat geen van de ingediende middelen tot cassatie konden leiden. De uitspraak van het Hof werd bevestigd, en de verdachte bleef veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en een geldboete. Dit arrest onderstreept de belangrijke juridische principes rondom huisvredebreuk en de bescherming van het huisrecht, en bevestigt de reikwijdte van artikel 138 Sr in het strafrecht.

Uitspraak

4 september 2007
Strafkamer
nr. 01434/06
AG/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 10 november 2005, nummer 21/002363-05, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1950, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Almelo van 2 mei 2005 - de verdachte ter zake van 1. primair "medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden" en 2. "in de woning, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen, terwijl het misdrijf door twee of meer verenigde personen is gepleegd" veroordeeld tot 1 maand gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een geldboete van € 750,- subsidiair 15 dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard zoals in het arrest vermeld.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.F. Speijdel, advocaat te Enschede, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beoordeling van het tweede middel
4.1. Het middel klaagt dat het Hof een gevoerd verweer ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde "(kennelijk) ongemotiveerd heeft verworpen", ofschoon dat verweer tot vrijspraak had moeten leiden.
4.2. Overeenkomstig de tenlastelegging heeft het Hof onder 2 bewezenverklaard dat:
"hij op 6 december 2003 te Almelo, tezamen en in vereniging met anderen, wederrechtelijk is binnengedrongen in een woning gelegen aan de [a-straat 1] en in gebruik bij [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2]."
4.3. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnota heeft de raadsman van de verdachte, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende aangevoerd:
"Aan cliënt wordt als feit (het medeplegen van) overtreding van art. 138 Sr tenlastegelegd.
Ik ben van mening dat cliënt dit feit niet heeft gepleegd.
Cliënt heeft tegen de 2 krakers voorlopige voorzieningen strekkende tot ontruiming van de boerderij door [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] gevraagd.
Deze procedure is door cliënt gewonnen.
De voorzieningenrechter te Almelo heeft (voor zover ten deze van belang en kort samengevat) bij vonnis d.d. 27-01-2004 2 dingen bepaald, te weten dat:
- de krakers "de woning wederrechtelijk in gebruik hebben genomen";
- op grond van art. 429 sexies Sr. is hij die een wederrechtelijk in gebruik genomen woning op vordering van de rechthebbende niet aanstonds verlaat strafbaar.
In de tenlastelegging wordt het woord wederrechtelijk gebruikt, hetgeen, uitgaande van de ruime opvatting van de HR, ook hier betekent: in strijd met het objectieve recht.
Het binnendringen in de woning dient dus in strijd met het objectieve recht te zijn en daarmee wordt gepoogd de huisvrede van de rechtmatige gebruiker te beschermen. In deze is er dus echter geen sprake van een rechtmatig gebruik door [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en dus is er geen sprake van binnendringen in strijd met het objectieve recht en dus is ook art. 138 Sr. niet van toepassing aangezien het niet de huisvrede van de onrechtmatige gebruiker beoogt te beschermen.
Ik verzoek U dan ook cliënt vrij te spreken."
4.4. Art. 138 Sr beoogt het huisrecht van een ander, dat hij ontleent aan de feitelijke bewoning, te beschermen. Daarbij is niet van belang of die bewoning geschiedt krachtens enig recht.
Daarom is onjuist de opvatting waarop verweer en middel berusten, namelijk dat de omstandigheid dat het gebruik van de woning door die ander onrechtmatig zou moeten worden geacht, meebrengt dat van "wederrechtelijk" binnendringen, als bedoeld in art. 138 Sr geen sprake kan zijn.
4.5. Het middel faalt dus.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren W.M.E. Thomassen en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 4 september 2007.