ECLI:NL:HR:2007:BA4805

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 mei 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
43218
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • D.G. van Vliet
  • P.J. van Amersfoort
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
  • A.R. Leemreis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.145 lid 4 Wet IB 2001Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt hofuitspraak over autokostenforfait en verwijst zaak terug

Belanghebbende kreeg voor het jaar 2002 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd, die na bezwaar door de Inspecteur werd gehandhaafd. Het Gerechtshof verklaarde het beroep ongegrond, waarbij het beroep op artikel 3.145, vierde lid, Wet IB 2001 niet is behandeld.

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het hofarrest. De Hoge Raad constateerde dat het hof ten onrechte geen beslissing had genomen over het beroep op dit wetsartikel, waardoor het arrest niet in stand kon blijven.

De Hoge Raad verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het hofarrest en verwees de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage voor verdere behandeling met inachtneming van het arrest. Tevens werden proceskosten aan belanghebbende toegekend.

De uitspraak benadrukt het belang van een volledige beoordeling van alle ingebrachte rechtsgronden door het hof en bevestigt de procedurele waarborgen in belastingzaken.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage voor verdere behandeling.

Uitspraak

Nr. 43.218
11 mei 2007
MP
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 2 juni 2006, nr. 04/04180, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 2002 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Minister van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende niet heeft doen blijken dat hij de door zijn werkgever ter beschikking gestelde personenauto voor minder dan 500 kilometer voor privé-doeleinden heeft gebruikt. Voor zover de klachten tegen dit oordeel opkomen, kunnen zij niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.2. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van (kennelijk) 27 februari 2006 (de vermelding van de zittingsdatum 29 juli 2005 in dat proces-verbaal berust kennelijk op een misslag) heeft belanghebbende een beroep gedaan op het bepaalde in artikel 3.145, lid 4, van de Wet IB 2001 (tekst 2002). 's Hofs uitspraak bevat daarover geen beslissing. De hierop betrekking hebbende klacht slaagt.
's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 105, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1288 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort, P. Lourens, C.B. Bavinck en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2007.