Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2007:BA4296

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 mei 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
41154
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46 Wet IB 1964Art. 7:465 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervoerskosten cliëntvertegenwoordiger als aftrekpost bij ziekte en invaliditeit

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1998 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd op basis van een belastbaar inkomen van ƒ 22.187, die na bezwaar door de inspecteur werd gehandhaafd maar vervolgens ambtshalve werd verminderd tot ƒ 22.027. Het gerechtshof verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en handhaafde de aanslag op het lagere bedrag. De discussie betrof de vraag of een bedrag van ƒ 216 aan kosten van vertegenwoordiging, waaronder vervoerskosten van een cliëntvertegenwoordiger, kon worden gerekend tot de uitgaven ter zake van ziekte en invaliditeit zoals bedoeld in artikel 46 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

Het hof oordeelde negatief omdat niet was aangetoond dat deze kosten van geneeskundige aard waren en omdat vervoerskosten van een cliëntvertegenwoordiger volgens het hof niet onder de aftrekbare vervoerskosten vielen. De Hoge Raad stelde dat vervoerskosten die in rechtstreeks verband staan met het verkrijgen van medische hulp, ook die van een vertegenwoordiger, wel degelijk tot de aftrekbare kosten kunnen behoren. Dit geldt bijvoorbeeld wanneer de vertegenwoordiger de belastingplichtige begeleidt naar een arts of behandeling, of zelfs wanneer de vertegenwoordiger alleen reist in het kader van zijn taak.

De Hoge Raad vernietigde het oordeel van het hof voor zover het de aftrekbaarheid van deze vervoerskosten betrof en verwees de zaak terug naar het gerechtshof te Arnhem voor verdere behandeling met inachtneming van deze uitleg. Daarnaast werd de Staat veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en verwijst de zaak terug voor nadere beoordeling van de aftrekbaarheid van vervoerskosten van een cliëntvertegenwoordiger.

Uitspraak

Nr. 41.154
4 mei 2007
HdJ
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 9 juli 2004, nr. BK 277/02, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 22.187, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Bij ambtshalve gegeven beschikking van de Inspecteur is nadien de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 22.027.
Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag gehandhaafd zoals deze ambtshalve door de Inspecteur was verminderd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. Het geding bij het Hof betrof, voor zover in cassatie van belang, de vraag of een bedrag van ƒ 216 aan kosten van vertegenwoordiging als bedoeld in artikel 7:465 BW Pro kan worden gerekend tot de uitgaven ter zake van ziekte en invaliditeit als bedoeld in artikel 46, lid 1, letter b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet).
Het Hof heeft die vraag ontkennend beantwoord met als motivering dat niet aannemelijk is gemaakt dat deze kosten, wat er overigens van zij, van geneeskundige of heelkundige aard zijn, en dat voor zover in het genoemde bedrag vervoerskosten van een cliëntvertegenwoordiger zouden zijn begrepen, deze niet in aftrek kunnen komen, omdat zij niet kunnen worden aangemerkt als vervoerskosten in de zin van artikel 46, lid 3, letter a, van de Wet.
3.2. De tegen dit oordeel gerichte klacht is gegrond. In laatstvermeld artikellid worden als uitgaven ter zake van ziekte en invaliditeit aangemerkt de daarmee verband houdende uitgaven voor genees-, heel- en verloskundige hulp, met inbegrip van (voor zover hier van belang) vervoer. Tot uitgaven voor vervoer als hier bedoeld behoren onder meer uitgaven voor vervoer die zijn gedaan in rechtstreeks verband met het verkrijgen van genees-, heel- of verloskundige hulp, zoals uitgaven voor vervoer gedaan door een zieke of invalide voor het ondergaan van een medische behandeling of het bezoeken van een arts. Dergelijke uitgaven voor vervoer behoren integraal tot de uitgaven ter zake van ziekte en invaliditeit. Onder zodanige uitgaven vallen ook de op een belastingplichtige drukkende uitgaven voor vervoer van zijn vertegenwoordiger als bedoeld in artikel 7:465 BW Pro, voor zover dat vervoer in rechtstreeks verband staat met het verkrijgen van genees-, heel- of verloskundige hulp ten behoeve van de belastingplichtige. Daarvan is bijvoorbeeld sprake wanneer een vertegenwoordiger de belastingplichtige vergezelt op een reis naar een arts, dan wel naar een bepaalde locatie waar de belastingplichtige een medische behandeling ondergaat, maar ook wanneer een vertegenwoordiger alléén een dergelijke reis maakt ter uitvoering van zijn taak als zodanig.
Het Hof is bij zijn oordeel dat te dezen geen sprake is van vervoerskosten in de zin van artikel 46, lid 3, letter a, van de Wet klaarblijkelijk uitgegaan van een andere, te beperkte, opvatting.
3.3. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor onderzoek of, en zo ja in hoeverre, het onderwerpelijke bedrag van ƒ 216 bestaat uit op belanghebbende drukkende uitgaven voor vervoer als hiervoor bedoeld.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof voor zover deze betrekking heeft op het jaar 1998, en behoudens de beslissingen omtrent de proceskosten en het griffierecht,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 102, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1288 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer L. Monné als voorzitter, en de raadsheren C.J.J. van Maanen, C. Schaap, J.W.M. Tijnagel en A.H.T. Heisterkamp, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2007.